Twee zielen in één krant

NRC Handelsblad ontstond uit de fusie tussen de deftige Nieuwe Rotterdamse Courant en het wildere Algemeen Handelsblad. Pal voor de verhuizing, dit weekend, van de krant naar Amsterdam is het ontstaan ervan te boek gesteld.

Dat u deze krant op dit moment in handen houdt, mag een klein wonder heten. Die conclusie dringt zich op na lezing van Pien van der Hoevens Het succes van een kwaliteitskrant, waarin zij de ontstaansgeschiedenis van de fusiekrant NRC Handelsblad beschrijft. Want hoeveel het Algemeen Handelsblad (1828) en de NRC (1844), ook gemeen mogen hebben – een lange en roemrijke geschiedenis, een behoudend liberale koers, een hoog opgeleide en koopkrachtige lezer – de culturele en journalistieke verschillen die voorafgaand aan de fusie in 1970 moeten worden overbrugd, zijn immens.

De confrontatie tussen beide redacties bij de eerste gezamenlijke vergadering in Den Haag (bewust op neutraal terrein) op 17 april 1970, spreekt boekdelen. De keurig gepakte en gedaste heren van de NRC kunnen een kreet van verbazing niet onderdrukken, wanneer hun Amsterdamse collega’s de burelen betreden: ‘een stoet van kabouters kwam binnen, van mensen met lange haren, zonder dassen, sommigen zonder jassen en met open hemden’, herinnert NRC-redacteur Han Moojen zich later. Om hun Rotterdamse collega’s te provoceren, hebben Handelsblad-redacteuren zich die middag in een leren jack gestoken.

Het wederzijdse dedain is diepgeworteld. Geen wonder dat het ruim vijftig jaar heeft geduurd voordat de fusiekrant tot stand komt. De leiding van de NRC, veruit de grootste en economisch sterkste van de twee, heeft volgens Handelsblad-hoofdredacteur Chris Steketee, een ‘neiging tot usurperen’.

Waaraan zij die neiging ontleent, wordt duidelijk uit de vroege geschiedenis van NRC en het Algemeen Handelsblad. Dat Van der Hoeven die voorgeschiedenis vertelt aan de hand van hun krantenpaleizen is een vondst. De gebouwen waarin zij zijn gehuisvest weerspiegelen de verschillen tussen beide kranten: zo streng, op het saaie af, als het gebouw van de NRC aan de Rotterdamse Witte de Withstraat is, zo speels, op het mondaine af, oogt het onderkomen dat het Algemeen Handelsblad in 1925 aan de Nieuwezijdsvoorburgwal betrekt. Bij de NRC geen fratsen, maar zakelijke en serieuze berichtgeving en een welhaast prehistorische opmaak. Hoewel het Algemeen Handelsblad evenmin een toonbeeld is van vooruitstrevende journalistiek, heeft de krant zich veel ontvankelijker getoond voor Angelsaksische nieuwigheden en rond 1900 foto’s, reportages en een voorzichtige human interestbenadering van het nieuws tot haar kolommen toegelaten.

Dit verschil in journalistieke stijl is niet alleen te herleiden tot de voor- en afkeur van de opeenvolgende hoofdredacteuren, maar heeft ook alles te maken met de locatie van beide kranten. Gezeteld aan de Nieuwezijds Voorburgwal – dan de Fleet Street van Nederland – weet het Algemeen Handelsblad zich omringd door concurrenten, waaronder De Telegraaf die in 1893 nota bene is opgericht om het Handelsblad te bestrijden en snel terrein wint. Het Handelsblad bevindt zich dan ook voortdurend in een spagaat tussen het populaire ochtendblad en de oerdegelijke NRC. Van dergelijke dilemma’s heeft de NRC geen last. Zwelgend in haar ‘kalme deftigheid’, blijft zij zich verschansen achter de slogan ‘het voornaamste dagblad van Nederland’. Maar die zelfgenoegzaamheid komt de NRC duur te staan; een gestaag dalende oplage maakt een fusie met haar Amsterdamse evenknie in 1970 onafwendbaar.

Verrassend succes

‘Het verhaal van de teloorgang van twee kranten en van het verrassende succes van de derde krant die uit dat verval is voortgekomen’, zo omschrijft Van der Hoeven haar geschiedschrijving, de handelseditie van haar proefschrift. Dat verhaal vertelt zij overtuigend, op basis van grondig onderzoek en met gevoel voor detail en treffende anekdotes. Vertrouwend op de ‘bigbangtheorie’ (de aard van een fenomeen kan het beste worden doorgrond door het ontstaan ervan te bestuderen) zoomt Van der Hoeven in op de periode 1958-1977. Zo kan zij zich uitleven op de ‘lange jaren zestig’, niet alleen een in politiek en cultureel opzicht veelbewogen periode, maar ook vanuit pershistorisch oogpunt een belangwekkend tijdsgewricht. Als gevolg van de ontzuiling en de individualisering raken kranten op drift en zijn fusies aan de orde van de dag, terwijl onder invloed van de culturele revolutie nieuwe vormen van journalistiek ontstaan.

Ondanks het turbulente tijdvak, de redactionele en bestuurlijke coups en kongsi’s en de soms ronduit hilarische verwikkelingen is Het succes van een kwaliteitskrant geen pageturner geworden. Hieraan is vooral de nogal gefragmenteerde opbouw van Van der Hoevens verhaal debet. Jammer is ook dat de handelseditie niet is gespeend van een zekere academische hoogdravendheid en ‘we’ met regelmaat iets ‘kunnen constateren’ of ‘moeten vaststellen’.

Dat het ontstaan van de fusiekrant niet zonder slag of stoot verloopt, is een understatement. Al in 1964, wanneer met de oprichting van de Nederlandse Dagblad Unie (NDU) een technische fusie tot stand komt, wordt besloten tot een beperkte vorm van redactionele samenwerking tussen beide kranten. De weerstanden zijn echter zo groot dat hiervan maar weinig terecht komt.

Illustratief is de onaangename verrassing die NDU-directeur Willem Pluygers wacht, wanneer hij bij zijn bezoek aan de samengevoegde Haagse redacties ontdekt dat de redactieruimte door een kast in tweeën is gedeeld en de redacties nog steeds apart opereren. Niet minder veelzeggend zijn de twee standen waarmee het Haagse telexapparaat is uitgerust: Rotterdam, voor lange, ingewikkelde kopij; Amsterdam voor kortere, opiniërende stukken.

Bij de fusie zes jaar later zijn die tegenstellingen er alleen maar groter op geworden. Onder hoofdredacteur Lex Stempels (1958-1970) is de NRC met haar rug naar de lezer en de maatschappelijke ontwikkelingen blijven staan. Ook nieuws heeft nog steeds geen prioriteit, zo weinig zelfs dat ter redactie het grapje de ronde doet: ‘Hij had een primeur en werd op staande voet ontslagen’. Stempels houdt zijn krant in een verlammende greep. Een ‘anachronisme’, zo kwalificeert Van der Hoeven de NRC van de jaren zestig terecht. Weliswaar trekt adjunct Jérôme Heldring in 1968 de leiding naar zich toe om alsnog een strakke nieuwsorganisatie door te voeren, maar die ingreep komt te laat om de neergang te keren.

Revolutie

Terwijl Stempels zijn best doet nieuwe bewegingen als Provo en D’66 te negeren en – wanneer dit niet langer lukt – te bestrijden, sijpelt de geest van revolutie geleidelijk door in de kolommen van het Algemeen Handelsblad. Daar is ook geen ontkomen aan. De Provo-happenings spelen zich pal om de hoek af, filmredacteur Jan Blokker schopt in 1964 heel gelovig Nederland tegen het zere been in zijn geruchtmakende aflevering Beeldreligie van het satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer, en D’66 – mede opgericht door redacteuren Hans van Mierlo, Hans Gruijters en Jan Sampiemon – wordt min of meer binnen de eigen muren geboren. Anders dan Stempels staat hoofdredacteur Chris Steketee (1958-1968) een levendige nieuwskrant voor en zet hij de deur wijd open voor jong talent. Het gevolg is dat hij voortdurend moet laveren tussen zijn oer-conservatieve commissarissen en niet minder behoudende lezers, en het vrolijke zooitje ongeregeld dat zich in de loop van de jaren vijftig in het labyrint aan de Nieuwezijds heeft genesteld.

Dat het uiteindelijk toch nog allemaal goed komt tussen de twee onwillige fusiepartners, is vooral de verdienste van visionair en bruggenbouwer André Spoor, die in 1968 naast Henk Hofland is aangetreden als hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad. Samen met Heldring en Hofland vormt hij in 1970 de driekoppige leiding van de nieuwe krant. Nadat deze in 1972 beiden uit de leiding zijn vertrokken, is hij het die met vallen en opstaan NRC Handelsblad doet uitgroeien tot de kwaliteitskrant die hem van meet af aan voor ogen heeft gestaan: een onafhankelijke, internationaal georiënteerde nieuwskrant voor de ontwikkelde lezer, met bijlagen zoals paradepaardje het Cultureel Supplement.

Ondanks het economische overwicht van de NRC en de keuze voor Rotterdam als standplaats, staat de fusiekrant van 1970 in journalistieke stijl veel dichter bij het Amsterdamse Handelsblad. En hoewel de ‘bigbangtheorie’ zich bewijst en Van der Hoeven erin slaagt de journalistieke ziel en het succes van NRC Handelsblad te doorgronden, is het een gemiste kans dat zij zich er niet aan heeft gewaagd de laatste 35 jaar met zevenmijlslaarzen in een epiloog te beschrijven. De verhuizing van de redactie van de Rotterdamse Alexanderpolder naar het Amsterdamse Rokin was een mooi slotakkoord geweest.

Mediahistoricus Mariëtte Wolf schreef Het geheim van De Telegraaf en recentelijk Een plek om lief te hebben, geschiedenis van Carré.