Toneelstuk ontleedt Desi Bouterse

Dertig jaar na de Decembermoorden is er de voorstelling Bouta. Drie theatermakers gaan daarin de gangen van president Bouterse na.

Scène uit het toneelstuk ‘Bouta’, met Anoek Nuyens (links), Tjon Rockon (midden) en Marjolijn van Heemstra (rechts). Foto Andreas Terlaak

Een creoolse indiaan met Zeeuws bloed en een Hollands paspoort – dat is Desi Bouterse. Dertig jaar na de Decembermoorden van 8 december 1982, waarvan Bouterse nog altijd hoofdverdachte is, gaan theatermakers Marjolijn van Heemstra (31), Anoek Nuyens (28) en Tjon Rockon (41) in Bouta zijn gangen na, toen en nu. Want, zeggen ze, Bouterse is al dertig jaar het steentje in de schoen van de Nederlandse overheid. Hoe kwam dat steentje in die schoen terecht? Van Heemstra: „Hoe kan het dat een land dat wij min of meer hebben bedacht, wordt geleid door iemand die wij een moordenaar en drugsbaron noemen?”

Op toneel is het tijdens een repetitie een chaos van paperassen en parafernalia: posters van Bouterse, vlaggen van zijn partij NDP, landkaarten, oude elpees, stapels van het Surinaams opiniemaandblad Parbodes en een Vrij Nederland uit 1982, het jaar dat het militair bewind van Bouterse vijftien tegenstanders liet doden.

De makers voelen zich alle drie op geheel eigen wijze verbonden met de thematiek. Drie verre familieleden van Van Heemstra waren gouverneur in Suriname toen dat een Nederlandse kolonie was. „Die geschiedenis is fascinerend. Het koloniaal bewind bood houvast. Laat je dat los, dan is het alsof je een taart te vroeg uit zijn bakvorm haalt. Misschien dat er daarom in Suriname nu zo’n behoefte is aan richting en structuur. Zo beschouwd was het kolonialisme de voedingsbodem voor het huidige militarisme. Is het geweld van nu dan een echo van het geweld van toen?”

Tjon Rockons vader was brandweercommandant in Suriname op het moment van de Decembermoorden. Het militair bewind weerhield hem ervan branden te blussen die uitbraken die nacht. „Mijn vader heeft zich verzet tegen Bouterse en is daarvoor geschorst geweest. Maar ik heb dat van anderen gehoord, hij heeft er zelf nooit over willen praten. Voor mij is de voorstelling ook een zoektocht naar mijn vader.”

Anoek Nuyens staat meer op afstand, en stelt de vraag: hoe betrokken kun of moet je als Nederlander zijn bij de geschiedenis van Suriname? Hoe verantwoordelijk zijn wij?

Met Bouta begeven de makers zich op het grensvlak van theater, journalistiek en politiek. Ze putten zich sinds juni uit in research, lazen alles wat er over Suriname en Bouterse te lezen valt, reisden naar plaatsen waar hij heeft gewoond, spraken met tientallen vrienden en vijanden. Hun research bracht ze in Duitsland, Breda en Steenwijk, bij een Surinaams jongensinternaat van de Fraters van Tilburg en in de Surinaamse jungle.

Van een van de fraters kregen ze een klassenfoto met de 15-jarige Bouterse erop. Van Heemstra: „Die jongens uit zijn klas toen zijn gewoon te bellen.” Uit de gesprekken kwam een paradoxaal beeld van Bouterse naar voren. „Hij was óf zwijgzaam, of praatgraag. Verlegen én dominant. Een geboren leider of juist de man aan de zijlijn. Een vat vol tegenstrijdigheden, heel ongrijpbaar.”

Via een tussenpersoon kon een interview met de president worden geregeld, maar op één voorwaarde: geen vragen over de Decembermoorden. „Toen hebben wij nee gezegd.” Plan B was een toevallige ontmoeting, wat volgens kenners gemakkelijk was. „We hebben op allerlei plekken op hem gewacht, bij een sportwedstrijd en op een verjaardag, en steeds kregen we te horen: ‘Nog tien minuutjes, hij komt zo.’ Maar dat bleek een mythe; hij kwam nooit.” Achteraf is Van Heemstra daar blij om. „Had ik hem een hand moeten geven? Vriendelijk glimlachen? Dat zou ik niet willen, maar het is wel je reflex. Dus ik ben opgelucht dat het niet zo ver is gekomen.”

Première Bouta 15/12, Frascati, Amsterdam. productiehuisrotterdam.nl

    • Herien Wensink