Te naïef voor een complexe oorlog

In zijn nieuwe roman behandelt Nico Dros Texel tijdens de Tweede Wereldoorlog en de opstand van de Georgiërs. De hoofdpersoon is een jonge arts met een valse identiteit.

In Oorlogsparadijs, de vierde roman van de op Texel opgegroeide historicus Nico Dros, wordt de Duitse bezetting van het eiland, inclusief de spectaculaire opstand van het 822ste Bataljon Georgiërs, beschreven vanuit het perspectief van de net afgestudeerde arts Adriaan Wiering. Nadat hij in Amsterdam wegens een uit de hand gelopen verzetsactie gezocht wordt door de Gestapo, wijkt hij uit naar het Waddeneiland om daar als chirurg dienst te doen.

Onder de valse naam Luc Walraven verricht hij onder leiding van de onkreukbare geneesheer-directeur Oosterling medische wonderen. Hij is geliefd bij de bevolking en bij het gastgezin Keijzer op de boerderij waar hij is ingekwartierd. Texel beschouwt hij, vergeleken met zijn onderduikadres in Amsterdam, als een paradijs – totdat in april 1945 als gevolg van de Georgische muiterij de lijken hem om de oren vliegen

Als Wiering in 1962 voor het eerst terugkomt op Texel besluit hij nooit een herdenkingsplechtigheid te zullen bijwonen op het ‘Russenkerkhof’, waar zeventig gesneuvelde Georgiërs begraven liggen. Hij begrijpt dus niets van de gecompliceerde toestand waarin de oorlog mensen had gebracht. De Georgische krijgsgevangenen die door de Wehrmacht onvrijwillig waren ingelijfd, kwamen in april 1945 met doodsverachting in opstand tegen de nazi’s.

Wiering acht hen echter medeplichtig aan ‘een zoveelste nacht van de lange messen’. Daarmee tekent Nico Dros zijn naïeve hoofdpersoon ten voeten uit. Deze kleurloze figuur met zijn ongelukkige jeugd, mislukte liefdesleven en hardnekkige identiteitsproblemen, heeft veel weg van de held/verrader Henri Osewoudt uit W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damokles.

Dros neemt bij voorkeur Texel als decor voor zijn romans. Zijn voor de AKO-prijs genomineerde debuut Noorderburen (1992), een historische roman over de Franse tijd, was gesitueerd in een fictief dorp bij De Koog. In Ter hoogte van het Salsapaviljoen (1999) werkt hoofdpersoon Vos Deroche aan een onderzoek naar de kerkscheuring in het Texelse gehucht Oosterend in de jaren twintig.

Een non-fictie boek daarover publiceerde Dros in 2010 onder de titel De sprekende slang. Een kleine geschiedenis van laaglands fundamentalisme. Veel nieuwe feiten leverde dit historische werk niet op, wel veel couleur locale en aardige sociologische hypotheses over de bevolking van de zwarte kousenenclave Oosterend.

Ook in Oorlogsparadijs maakt Dros gebruik van plaatselijke archieven en gesprekken met Texelaars, die de weken durende opstand van de Georgiërs hebben meegemaakt. Zo sprak hij blijkens een dankwoord met Jaap Keijzer, die in de roman figureert als NSB’er maar tegelijkertijd als leider van het Texelse verzet. Ook de NSB-burgemeester van Texel, Willem Kelder, en Inselkommandant Neumann treden onder hun eigen naam op.

Ongrijpbare figuur

Hoofdpersoon Adriaan Wiering alias Luc Walraven daarentegen lijkt volledig aan de fantasie van Dros ontsproten te zijn. Wellicht is dat de reden dat hij een ongrijpbare figuur blijft. Dros is duidelijk een betere geschiedschrijver dan romancier. Zijn stijl is feitelijk, recht toe recht aan, zonder beeldspraak of fraaie beschrijvingen en van psychologie heeft hij weinig kaas gegeten.

Wierings motieven om in Amsterdam een aanslag te plegen blijven duister. In de roman dient deze verzetsdaad er slechts toe om hem op Texel te krijgen en van een nieuwe identiteit te voorzien. Net als Hermans’ personage heeft hij last van de identiteitswissel, vooral als hij een verhouding krijgt met de mooie dochter van het boerengezin waar hij inwoont. Hoe moet hij haar ooit vertellen dat zij verliefd is op iemand die hij alleen maar voorwendt te zijn?

Een held kun je Luc Walraven niet noemen, die rol is weggelegd voor zijn baas Oosterling, wiens opdrachten hij blind volgt. Niet duidelijk is of Oosterling gemodelleerd is naar een historische figuur, maar mocht dat zo zijn, dan is Oorlogsparadijs vooral een hommage aan deze man en aan het Medisch Contact, de verzetsorganisatie van artsen.

Luc Walraven gaat na een reeks traumatische gebeurtenissen in de april- en meidagen van 1945 verdwaasd en uitgeput terug naar het vasteland om zich vervolgens als vrijwilliger te melden voor de koloniale oorlog tegen Indonesië. Pas in 1962, als er een nieuwe koloniale oorlog in Nieuw-Guinea dreigt, brengt hij voor ’t eerst sinds de bevrijding weer een bezoek aan Texel, waar hij op pathetische wijze zijn ware identiteit onthult.

Tijdens de nazit van de begrafenis van een Texelse verzetsheld raakt hij in discussie met ‘klaarblijkelijk een communist’ die, zoals de meeste Texelaars, de Georgiërs als helden beschouwt. Wat hun motieven ook geweest mogen zijn, zegt zijn gesprekspartner: ‘Ze zijn in opstand gekomen tegen onze vijanden, onze bezetters. Die hebben ze niet verslagen, maar wel ondermijnd. Ze stonden aan onze kant.’

Wreedheid

Daar heeft de Indiëveteraan niet van terug, maar toch vindt hij herdenkingen op het Texelse ‘Russenkerkhof’ ongepast. Wat hem dwarszit is de wreedheid van de Georgiërs, die aan het begin van de opstand 450 Duitse officieren in hun slaap de keel hebben afgesneden. Pas als een mede-Indiëveteraan hem eraan herinnert hoe Nederlandse militairen op Java hele dorpen hebben uitgemoord, realiseert hij zich dat hij daar, anders dan de Georgiërs op Texel, aan ‘de kant van de hufters’ stond. Niettemin zegt hij achteraf tevreden te zijn met zijn vrijwillige deelname aan de politionele acties op Java: ‘Ik heb me zelf er kunnen hervinden.’

Dros heeft enige tijd als historicus in Jakarta gewerkt en laat zijn Indonesische ervaringen vaker in zijn romans doorklinken, maar in Oorlogsparadijs lijkt ‘Indië’ er met de haren bij gesleept. Het romanpersonage mag zichzelf dan hebben hervonden tussen de platgebrande kampongs, voor de lezer blijft hij een wazige, onvindbare schim. En anders dan bij Osewoudt is er geen enkele aanleiding om naar zijn drijfveren te blijven gissen. Daarvoor is hij in een te eendimensionale figuur en zijn de raadsels over goed en fout die hem omgeven te doorzichtig.