Straatcoach

Tijdens de verkiezingscampagne vertelde Diederik Samsom – zelf ex-straatcoach te Amsterdam – dat hij ‘een warm pleitbezorger’ voor buurtwachters en straatcoaches was. „Het lijkt misschien of ze niets doen, maar dat is alleen maar goed. Als er twee van die mannen langs een Cruyff Court hangen, dam scheelt dat de maatschappij veel ellende.” Voorbeelden van

Tijdens de verkiezingscampagne vertelde Diederik Samsom – zelf ex-straatcoach te Amsterdam – dat hij ‘een warm pleitbezorger’ voor buurtwachters en straatcoaches was. „Het lijkt misschien of ze niets doen, maar dat is alleen maar goed. Als er twee van die mannen langs een Cruyff Court hangen, dam scheelt dat de maatschappij veel ellende.”

Voorbeelden van straattaal: ‘hou je bek’ en ‘wegwezen’. En ook scheldwoorden

Hij voegde eraan toe dat de overlast in sommige buurten in Amsterdam-Oost ‘voor 100 procent’ door Marokkaanse jongeren werd veroorzaakt en dat hij dat als straatcoach met eigen ogen had gezien. Die opmerking, gedaan op de lokale zender AT5, leverde toen nul boze reacties op.

Gisteren zag ik twee straatcoaches in de Amsterdamse Van Woustraat preventief bezig zijn. Ze reden op mountainbikes over de stoep en passeerden ter hoogte van de failliete snackbar Barbarella drie Marokkaanse jongens.

Een van de jongens zei: „Jij mag hier niet fietsen!”

De straatcoaches, zo te zien frequente bezoekers van de sportschool, sprongen meteen van de fiets.

„Respect!” zei er een. „Ik wil wel respect. Is dat begrepen?”

De andere straatcoach vroeg: „Waar gaan jullie naar toe?”

„Naar school”, zei een van de jongens.

Het leek me een sociaal wenselijk antwoord waar je als straatcoach die preventief bezig is wat mee kon, maar deze straatcoach – zelf ook een Marokkaan – raakte ervan in de war. Hij was even stil en zei toen: „Dan is het goed.”

Even later stapten ze af voor koffie en een broodje bij Broodje Popov.

De ene bestelde een broodje salami met augurk en de ander een broodje kaas. Toen ze hun broodjes op hadden vroeg ik ze of het waar was wat Diederik Samsom had gezegd, dat de overlast in sommige buurten van honderd procent door Marokkanen werd veroorzaakt.

De Marokkaan zei: „Dat ga ik als Marokkaan niet zeggen. Dus.”

De Nederlander – een jongen met een grote tatoeage van een kruis op de onderarm – zei dat ze ‘alle rassen’ in de gaten hielden. Hij voegde eraan toe dat straatcoaches zelf ook hangjongeren waren geweest, dat ze stevig in hun schoenen stonden en dat ze de taal van de straat spraken.

Voorbeelden van straattaal waren: ‘kappen nou’, ‘hou je bek’ en ‘wegwezen’. „En ook scheldwoorden.”

Na de lunch gingen ze preventief door de buurt fietsen, op zoek naar de drie jongens die ze even tevoren preventief hadden aangesproken.

„Als ze hier nog rondlopen hebben ze een probleem. Een groot probleem. Dan zijn ze niet naar school gegaan. Dan hebben ze gelogen.”

De Nederlander: „Je moet niet liegen tegen mij.”

De Marokkaan: „Liegen is vies.”

Hij voegde eraan toe ‘zeker te weten’ dat de jongens hadden gelogen.

„Omdat wij dat bijdehante gedrag herkennen. Omdat wij zelf zo geweest zijn. Daarom.”

Maar met hen was het goed afgelopen.

Ze hadden van hun hobby – rondhangen – hun beroep gemaakt en van de gemeente een uniform en een mountainbike gekregen.