'Prachtbeeld van Parijs in het Fin de Siècle'

Deze week een literaire liefdesverklaring van Philip Freriks, volgende week presentator van het Grote Dictee, aan de roman ‘Bel Ami’ van Guy de Maupassant.

Philip Freriks Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 29-10-2008

‘De keuze van een favoriet boek hangt geheel af van de periode waarin je mij daarnaar vraagt. Nu kies ik voor Bel Ami, een roman uit 1885 van de Franse schrijver Guy de Maupassant (1850-1893). Een paar weken geleden had ik gekozen voor De welwillenden van Jonathan Littell. Deze roman, geschreven vanuit het perspectief van een SS-officier, was een openbaring. Van de kampen, van Auschwitz, wist ik natuurlijk af. Maar dat de nazi’s zo moorddadig tekeer zijn gegaan in het Oostblok – dat heb ik me nooit gerealiseerd. Erg confronterend vond ik ook dat de hoofdpersoon ’s ochtends tussen de lijken kon staan en ’s avonds een geleerd gesprek kon voeren over uitstervende talen.

„Van Maupassant ben ik al langer een groot liefhebber. Ik begroet hem dagelijks als ik langs zijn graf loop op het Cimétière de Montmartre, waar ik vlakbij woon. Dat ik Bel Ami heb herlezen is dus puur toeval. Ik moest op reis en vlak voordat ik de deur achter me dichttrok bedacht ik me dat ik nog iets te lezen moest meenemen. Willekeurig greep ik naar een J’ai lu-pocket in mijn boekenkast. Deze editie uit 1962 heb ik gelezen voor mijn boekenlijst in een tijd dat leraren hun leerlingen graag met Maupassant zagen aankomen. Schrijfsters als Marguerite Duras waren minder populair.

„Van Bel Ami bleek ik veel te zijn vergeten. De roman draait om parvenu Georges Duroy. Hij komt, op zoek naar werk, bij de Place de l’Opéra zijn oude vriend Forestier tegen. Met hem diende hij jaren daarvoor in Algerije. Forestier heeft het goed voor elkaar. Hij is inmiddels getrouwd en prominent politiek redacteur bij het Franse dagblad La Vie Française. Forestier biedt de onervaren Duroy een kans: hij mag een column schrijven in de krant. Duroy wil graag – eindelijk ziet hij een uitweg uit die ‘kamerellende van Parijs’, uit zijn achteraf kamer die zo schandelijk vies ruikt.

„Wat mij bij het herlezen zo aansprak was het fantastische sfeerbeeld van het Parijs van het Fin de siècle. Als Maupassant zijn roman schrijft is de Franse hoofdstad, naar ontwerp van stadsarchitect Haussman, ingrijpend verbouwd en gesaneerd. Er is een burgerij ontstaan, een upper middle class, die zich zonder gêne als rijk en opportunistisch profileert. Parijs is uitgegroeid tot ‘De hoofdstad van de 19de eeuw’, schrijft Walter Benjamin.

„Die modernisering zet zich tot op de huidige dag voort. Maar als je, zoals ik, Parijs goed kent, komen scènes uit Bel Ami nog steeds heel dichtbij. Zo woonde ik vroeger vlakbij Avenue du Bois-de-Boulogne waar Duroy op een avond met zijn vrouw Madeleine in een sfeer van ‘besmettelijke verliefdheid’ rondrijdt. Maupassant schrijft: ‘en ze namen een open koets, reden over de Champs-Elysées, vervolgens over de Avenue du Bois-de-Boulogne. Het was een windstille avond, zo’n stoofavond waarin de oververhitte lucht van Parijs als ovendamp de borst bestormt.’ Toen ik dat las, was het net of ik zelf in zo’n open koets reed.

„Maupassant vertrouw ik het toe een treffend beeld te kunnen schetsen van Duroys Parijs. Hij was niet alleen een goed observator, ook hij deelde in de weelde. Maar hij hield zich niet afzijdig, stond met beide benen in het Fin de siècle. Ik houd wel van mensen die niets menselijks vreemd is.”

Guy de Maupassant: Bel Ami. Vertaald door Hans van Cuijlenborg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 414 blz. €12,50

    • Roderick Nieuwenhuis