Opgaan in graan, cipressen en cicaden

Curzio Malaparte: Bloed. Vertaald uit het Italiaans door Jan van der Haar. IJzer, 155 blz. € 16,50 ***

Wat de verhalen in Bloed van Curzio Malaparte verbindt, is het leidmotief van de vloeistof die in het circulatiesysteem van ons lichaam wordt rond gepompt. Dat systeem hoort min of meer gesloten te zijn, anders is het drama niet ver weg. Het eenvoudige, ontroerende verhaal ‘Doe Livorno de groeten’ gaat over de gewapende strijd, wat geen verrassing is bij de auteur van de fameuze oorlogsboeken Kaputt en De huid.

Onder de vrijwilligers die in WOI vechten is een jongen uit Livorno, die niet uitgepraat raakt over zijn fantastische stad. Wanneer hij en zijn metgezellen onder vuur worden genomen, is hij de eerste die geveld wordt. ‘Doe Livolno de groeten,’ zegt hij met zijn lokale accent, ‘en zijn hoofd zakte achterover. Hij had zijn ogen open, glimlachte, hield tussen zijn lippen een rode roos, een mooie bloem van bloed.’

Ook verhalen als ‘Een moeder zoekt haar kind’, waarin de moeder van een overleden kind een hond de borst geeft (het dier zet zijn tanden in het vlees) en ‘Een gelukkige dag’, waarin een keurige ambtenaar de huiskat met een eetvork afslacht, zou je kunnen verwachten van Malaparte, want hij was niet afkerig van schokeffecten.

Verrassender zijn de sfeervolle beschrijvingen van een jeugd op het Toscaanse platteland, waarvoor de in Prato opgegroeide Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert, 1898-1957) uit zijn eigen leven heeft geput. Hij voert een jongetje op dat niets tekort komt en toch diep ongelukkig is: ‘Ik leefde, God mag weten waarom, in de bittere waan dat niemand van mij hield’. Deze jongen speelt de hoofdrol in verhalen die gisten van een abstract sadomasochisme.

Wat echter het meest beklijft zijn de evocaties van het Toscaanse landschap. Ja, natuurlijk, het gaat grofweg om het vertrouwde paradigma van de vakantielectuur, olijfbomen, cipressen, tsjirpende cicaden en wegschietende hagedisjes, maar Malaparte gaat daarmee zijn eigen gang, expressief en overmoedig: ‘Het waren de laatste lentedagen, de aarde gaf een warme ademtocht, de ademhaling van een zieke koe. De lucht leek geheel gebarsten als een oude, vale spiegel, de bomen en de bergen weerspiegelden elkaar, als in een meer. De cipressen in de wind gaven een merkwaardig geluid, de blaadjes van de olijfbomen raakten elkaar en maakten een tinkelgeluid als van schelpen.’

De kern van deze in 1937 verschenen verhalenbundel wordt nergens expliciet geformuleerd, slechts door poëtische beschrijvingen opgeroepen. Het heeft te maken met golvend graan en de scheervlucht van de zwaluw, het is iets als wat de Franse filosoof Henri Bergson ‘de onmiddellijke ervaring’ noemde, de heilzame identificatie met de wereld om ons heen, de verwondering om het mysterie van het bestaan, het sap dat door de planten stroomt, het bloed door mensen en dieren, en de tijd door de stenen van de huizen.

    • Marco Kamphuis