‘Onze ouders, de Ossies, zijn losers’

Sinds de val van de Muur lijden jonge Oost-Duitsers onder de melancholie van hun ouders. Zij vormen de derde generatie. Andrea Hanna Hünniger schreef er een autobiografisch boek over.

Andrea Hanna Hünninger: ‘Je kleedde je als neo-nazi, niet uit idealen maar om het machtsvertoon’ Foto Roger Cremers

‘Mijn vader heeft mijn boek niet gelezen. En dat is maar beter ook. Net als alle vaders van mijn generatie die opgroeiden vlak na de val van de Muur in voormalig Oost-Duitsland, is ook hij een loser. Maar dat hoeft hij niet zwart op wit te zien.”

De Duitse Andrea Hanna Hünniger (1984) wordt na de verschijning van Het paradijs. Opgroeien na de val van de Muur gezien als dé stem van de Dritte Generation Ostdeutschland. Ze was vijf toen de Muur viel. In haar geboorteplaats Weimar schoten na 1990 supermarkten en luxewinkels als paddenstoelen uit de grond. Aangezien haar ouders van de een op de andere dag werkeloos waren geworden, hadden de winkels vooral een museumfunctie. Wasmiddelen en snoepjes waren objecten om te bekijken.

Haar boek werd in Duitsland als confronterend gezien. Dat komt vooral door alinea’s als: ‘Ik deel met veel jonge Oost-Duitsers die nu tussen de vierentwintig en negenentwintig jaar oud zijn dat we zijn opgevoed door melancholieke, ja depressieve, in elkaar gedoken, kromme, teleurgestelde, beschaamde, zwijgende ouders en leraren. De helft van de leraren die we meemaakten moesten de hele tijd kuren volgen of was onder behandeling bij de psychiater.’

U wordt als dé stem van de derde generatie Oost-Duitsers gezien. Is er inderdaad sprake van dé derde generatie?

„Ja, niemand was geïnteresseerd in wat de kinderen meemaakten toen de Muur viel, maar nu beginnen ook zij te praten over de jaren negentig en wat er met hen gebeurde. Want het ging heel lang alleen over de ouders, de leraren.

„En nu is er inderdaad een nieuwe beweging in Duitsland, die van de derde generatie. Niet dat die generatie nu één geluid laat horen, maar we praten met elkaar over onze jeugd en dat is goed. Ik ben een soort woordvoerder geworden, door mijn stukken in Die Zeit. Maar doordat ik erover schrijf en sommige verhalen journalistiek benader, ben ik ook een buitenstaander.”

En is dit dan ook meteen de laatste generatie Oost-Duitsers?

„Ja, ik denk van wel. Tja, de derde generatie, misschien is het ook wel een raar begrip. Ikzelf heb nauwelijks bewuste herinneringen aan Oost-Duitsland – de val van de Muur herinner ik me niet. Misschien is de laatste generatie Oost-Duitsers wel de groep kinderen geboren rond 1975. Ik ben van zo’n tien jaar later, ik heb het leven als Ossie niet meegemaakt.

„Als student heb ik me altijd heel bewust opgesteld als iemand die niet uit Weimar kwam. Ik sprak in de collegezalen Hoogduits, kleedde me in dure merkkleding. Het was de bedoeling dat de professor dacht dat ik bij een elite hoorde, uit Hamburg of zo. Want het was, of misschien is het dat nog steeds zo, dat als je uit het Oosten komt je een probleem hebt.”

Welk probleem?

„Ik ben opgegroeid met ouders die hun ideologie zijn kwijtgeraakt, mijn ouders waren communisten. Niet veel mensen in de DDR waren echte communisten, mijn ouders wel. Ze waren Partijleden, uit een machtige familie, we waren de elite. Maar na de val van de Muur raakten mensen hun baan kwijt – mijn ouders ook, terwijl ze beiden goed opgeleid waren. Dat maakte hen droevig. Het systeem viel uit elkaar, dat was belangrijker dan het verlies van ideologie.

„Oost-Duitsers werden dom gevonden omdat ze niet wisten hoe het kapitalisme werkte. Ze raakten niet alleen hun idealen, maar hun hele leven kwijt. Mijn ouders en ik leefden in verschillende werelden. Ik was een kind van het kapitalisme, ik hield van de supermarkten, de suiker, de kleuren: allemaal dingen die mijn ouders verschrikkelijk vonden.

„De school was anders, later was de universiteit anders, en ze begrepen dat allemaal niet. Ze hadden ook geen geld – vanuit een machtige positie kwamen ze terecht in armoede. We moesten zelf opnieuw beginnen, stijgen, vechten voor een goed bestaan.

„Mijn ouders zijn twintig jaar geleden eigenlijk gestorven. En nu wil ik weten: hoe zag hun vorig leven eruit, wat is er nu, waar moet je in geloven, is dit een perfecte wereld, zijn er dingen die ik moet proberen te veranderen? Als ik mijn ouders vraag naar de jaren tachtig dan weten ze niets over het systeem, over de grensbewaking, over de dictatuur. Ze zijn getraumatiseerd, zoals ongeveer iedereen in Duitsland.

„Als mijn kinderen mij later vragen hoe het was om te leven in de hoogtijdagen van het kapitalisme, dan wil ik een antwoord kunnen geven. Ik wil verantwoording afleggen voor de tijd waarin ik leef.”

Maar voor u zal dat misschien makkelijker zijn, omdat u niet zoals uw ouders aan de ‘verkeerde’ kant van de geschiedenis je hoogtijdagen hebt beleefd.

„Ik weet niet of mijn ouders aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden. Is er een verkeerde kant? Ze waren niet fout, ze waren geen misdadigers. De DDR was een probleem, niet per se fout. Het systeem deugde niet, je kunt geen land baseren op wantrouwen tegen mensen. Dát was fout.

„Ik denk dat het goed is wanneer ik ze nu vraag: hoe kon je in dat land wonen? Kenden ze mensen van de Stasi? Mijn DDR-herinneringen zijn tv-herinneringen aan een regenachtige, grijze wereld, met grijze huizen en grijze luchten. Maar mijn ouders hebben daar toch in geloofd, en daar wil ik nu naar vragen. Mijn moeder geeft antwoorden op mijn vragen. Mijn vader kan dat niet. Hij kreeg een hersenvliesontsteking na 1989 en zit nu nog steeds onder de antidepressiva.”

En dat komt door de omwenteling?

„Ja, absoluut. Die hersenvliesontsteking zou hij zonder omwenteling ook gehad hebben, maar die heeft wel zijn depressieve houding veroorzaakt.”

Bent u kwaad over hoe het gelopen is?

„Nee, zo zie ik dat niet. Dit is een boek voor een vergeten generatie. Er zijn ook veel positieve reacties van jongeren: het is een belangrijk onderwerp en niemand heeft het erover hoe je jeugd in één klap totaal veranderde. En over die ommezwaai zijn geen verhalen over.

„Aan het eind van de jaren negentig had ik weinig respect voor mijn ouders, maar dat is veranderd. Ik kan ze meer in hun waarde laten. Het gaat goed met ze, ze hebben het financieel beter, mijn moeder heeft zich laten omscholen en vond een baan. Al haten ze het systeem, van buitenaf bekeken heeft de omwenteling ze geen kwaad gedaan.”

Is die blik op ouders die ongelijk hebben gekregen van de geschiedenis te vergelijken met hoe hun eigen generatie keek naar hun ouders die na de Tweede Wereldoorlog hun nazi-idealen verloren?

„Nee, dat denk ik niet. Mijn opa heeft gevochten in Stalingrad, maar hij werd na de Tweede Wereldoorlog een communist van de oude stempel. Dus hij had geen problemen in Oost-Duitsland. De veranderingen in de jaren zestig waren volgens mij geen revolutie tegen de ouders of tegen de vorige generatie, maar mét die generatie.

„Iedereen leefde achter het IJzeren Gordijn in feite volgens dezelfde principes, met een ideologie die op het uiterlijk was gericht, op de kracht die je uitstraalde. Tot 1945 was de zondag er bijvoorbeeld om te besteden aan de Hitlerjugend, na de oorlog was de zondag voor gemeenschapsvorming – daar was in de beleving van de Oost Duitsers niet zo’n groot verschil tussen.”

Ligt in die ‘geringe’ verandering ook de reden dat veel van uw klasgenoten neonazi werden?

„Ja, gekleed gaan als neonazi was in de jaren negentig de Oost-Duitse mode, je mat jezelf een sterke identiteit aan. Het is ingrijpend om te zien dat je vader de verliezer van de geschiedenis is. Hij is niet sterk, hij is ziek, en dat geldt voor de meesten van ons.

„Veel vaders waren werkloos geworden, soms ook alcoholist. Dan wil je er als kind juist sterk uitzien en kleed je je al snel als neonazi. Het ging niet om die idealen, maar om het machtsvertoon. Mijn klasgenoten, vooral de jongens, wilden zich van hun vaders, die losers, onderscheiden.”

Andrea Hanna Hünniger: Het paradijs. Opgroeien na de val van de Muur. Uit het Duits vertaald door Jan Bert Kanon. Atlas, 224 blz. € 19,95

    • Toef Jaeger