‘Nu ben ik heimelijk componist’

Filosoof Michel Serres schreef een studie over de oorsprong van muziek. ‘Ik kwam uit bij de Bijbel en het menselijk lichaam.’

Michel Serres: ‘Als ik luister naar muziek, wie luistert er dan precies?’ Foto Roger Cremers

In Frankrijk behoort filosoof Michel Serres als lid van de Académie Française tot de selecte club van ‘onsterfelijken’. Hij treedt regelmatig op voor radio en televisie om over filosofie te spreken. Internationaal is hij nog niet zo bekend. Dat komt onder meer doordat zijn werk vaak tot onvertaalbaar is bestempeld. De cadans van zijn zinnen, zijn woordkeuze en retorische figuren zijn voor zijn denken van evenveel betekenis als de methoden en concepten, die hij gebruikt. Maar onvertaalbaar is zijn werk niet. Dat bewijst het fraaie Nederlands van vertaalster Jeanne Holierhoek in zijn kleine, maar veel omvattende studie Muziek.

Serres benadert muziek op drie manieren: hij onderzoekt de oorsprong van muziek door aan te knopen bij Griekse mythen, hij zoekt naar de overeenkomsten tussen muziek en wetenschap, met name in de wiskunde en informatica, een verband dat eveneens teruggaat tot de oud Grieken, tot Pythagoras’ ‘harmonie der sferen.’ En Serres speurt ook naar geëxalteerde, mystieke muziekervaringen aan de hand van enkele Bijbelpassages. Voor hem zijn ratio en religie, meetkunde en mystiek geen helder gescheiden domeinen. Zijn denkwijze omschrijft hij als de filosofie van ‘het samengeklonterde.’ Hij vermengt, schrijft hij in Muziek ‘kunst en ambacht, emotie en rede, lichaam en ziel, wetenschap en religie: een schandaal!’

Ter ere van de verschijning van zijn boek bezocht de 82-jarige, gesoigneerde filosoof Nederland.

U begint bij de mythe van Orpheus, die met zijn zang probeerde zijn geliefde Eurydice te redden uit de onderwereld.

„Mijn vertrekpunt is een hele simpele, naïeve, zelfs kinderlijke vraag: wat is muziek? Wat is dat voor beest dat we muziek noemen? Om daarop een antwoord te vinden, moet ik me verplaatsen in de positie van de componist. En de beroemdste, meest exemplarische componist is Orpheus.

„Muziek begint altijd bij de onderdompeling in de akoestiek, in geluid. Het geluid van de wereld is het primaire materiaal voor de componist: de wind, de golven op zee, bewegingen van de aarde. Daar komen de geluiden van dieren bij: het kwetteren van de vogels, het blaffen van honden. Dan heb je nog het geluid van de levende wereld, dat van mensen, het sociale geluid: de klank van een vol stadion, van een politieke vergadering, van een begroeting. Met al dat akoestische materiaal werkt de componist, zoals de beeldhouwer werkt met het materiaal van de aarde. De muziek vult als het ware de ruimte tussen de betekenisloosheid van het geluid van de natuur en van de wereld, en het woord. Orpheus overbrugt die afstand tussen het geluid van de wereld en het woord. Maar hij blijft staan op de drempel van de taal. Muziek omvat alles wat zich bevindt tussen betekenisloosheid van de ruis van de wereld en de betekenis van taal. Daarom is de muziek universeel.”

Voor u herhaalt de mythe van Orpheus zich elke keer als we muziek maken.

„Ja. Met Orpheus loopt het uiteindelijk slecht af. Hij wordt verscheurd door de Maenaden, de bezeten metgezellinnen van Dionysus. Zijn muziek wordt verscheurd. Met andere woorden: muziek kan altijd terugvallen in het ongevormde geluid, in de ruis van de wereld. Dan begint de mythe opnieuw.”

U verwijst naar mythen, maar ook naar een modern apparaat als de computer. Wat leert de computer ons over muziek?

„Er bestaat een soort verborgen overeenkomst tussen de computer en het muziekinstrument, in de eerste plaats de piano. We bespelen de piano, maar ook het orgel, exact zo als een computer. Zowel computers als muziekinstrumenten zijn op zichzelf beperkte apparaten. Maar deze apparaten hebben een vrijwel oneindig aantal mogelijkheden. Op een computer kun je een grenzeloos aantal verschillende teksten schrijven, zoals je op een muziekinstrument een oneindig aantal composities kunt laten klinken.”

U maakt geen strikt onderscheid tussen wetenschap en religie. Van de wiskunde komt u uit bij de mystiek.

„Ik wilde iets te zeggen over de oorsprong van muziek, daarvoor ben ik uitgekomen bij de Bijbel. Met name de passages waarin Maria, met Jezus in haar buik, en Elisabeth van Jeruzalem, die zwanger is van Johannes de Doper, elkaar ontmoeten, en Maria een lofzang zingt op God. Daarin zie je dat de oorsprong van muziek ligt in het lichaam. Maar het lichaam dat is geïncarneerd is door het goddelijke.

„Dat is heel moeilijk om te beschrijven, omdat de taal per definitie te kort schiet voor ervaringen van het goddelijke en het mystieke. Dat geldt net zo goed voor schrijven over muziek, omdat de betekenis van muziek aan de taal voorafgaat, buiten de taal staat. Daarom is er door filosofen ook relatief weinig over muziek geschreven. Er zijn een paar passages bij Plato en Augustinus, Leibniz heeft er wat over geschreven, enkele bladzijden van Schopenhauer en Nietzsche, maar niet heel veel. Ik stond er betrekkelijk alleen voor.’’

Vindt u Schopenhauer geen grote filosoof van de muziek?

„Jawel. Hij is de eerste die zag dat de muziek een universele grootheid is, als de belichaming van wat hij de wil noemt,maar een universele grootheid die vooraf gaat aan betekenis en taal. Dat laatste is belangrijk, en ook bijna de enige muziekfilosofie van formaat die er is. Mede daarom ben ik bij de Griekse mythen en de Bijbel uitgekomen, en niet bij andere filosofen.’’

Kan luisteren naar muziek een mystieke ervaring zijn?

„Als ik luister naar muziek, wie luistert er dan precies? Dat is de vraag die mij het meest interesseert. Ik luister met mijn lichaam, zeker, maar ook met mijn geest, mijn emoties, mijn vreugde en mijn verdriet. Er bestaan bijna geen andere ervaringen die je zo volledig opeisen als echt luisteren muziek. Muziek vereist volledige overgave. Zulke integrale overgave beschouw ik als een quasi-mystieke ervaring.’’

U bent zeer gevoelig voor de muzikaliteit van taal.

„Met woorden kan ik alleen met heel veel moeite over muziek spreken, want de muziek bevindt zich buiten het domein van de taal. Wat me dan rest is stijl en welsprekendheid, om op die manier dichter bij de muziek te kunnen komen: de muziek van de formulering, van klankassociaties, van de hele sonoriteit van de Franse taal.

,,Ik heb geprobeerd dit boek te schrijven met alle middelen van de tonaliteit van de Franse taal. Ik had dit boek niet kunnen schrijven als ik niet zoveel van muziek had gehouden, en er niet stiekem van zou dromen een musicus te zijn. Ik zou liever componist zijn dan schrijver. De schrijver ondervindt vaak grote blokkades door de taal. De componist is vrijer, vrijer van betekenis.’’

Is filosofie verwant aan de muziek?

„De muziek heeft een universele ambitie, en dat geldt ook voor de filosofie. Het onderwerp van filosofie is de totaliteit, het volledige. Die ambitie delen de musicus en de filosoof. Ik voel wel een zekere spijt dat ik geen musicus ben geworden. Maar nu ben ik dat heimelijk toch. Ik maak mijn muziek als schrijver. Dit boek is mijn muziek.’’

Michel Serres: Muziek. Vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek. Boom, 200 blz. 24,50 euro

    • Peter de Bruijn