Na de integratiepaniek: bemoei je met jezelf

Nieuwkomers in Nederland zijn burgers op de tweede rang. Daar praten we niet meer over. We meten met twee maten, schrijven vier antropologen en sociologen.

Wat een rust. Het woord ‘moslim’ komt in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II niet meer voor. De problematisering van culturele verschillen lijkt voorbij. Zelfs PVV-leider Geert Wilders heeft zijn bakens verlegd.

In Den Haag lijkt een einde gekomen aan de stigmatisering van nieuwe Nederlanders, maar de ontspanning van het debat heeft een hoge prijs. Cultureel verschil blijft van de politieke agenda, op voorwaarde dat iedereen ‘de’ Nederlandse cultuur accepteert.

In plaats van een heftig integratiedebat kennen we nu ‘geculturaliseerd’ burgerschap. Van links tot rechts vindt de politiek dat burgerschap verdiend moet worden door zo veel mogelijk culturele aanpassing.

De ‘gewortelde asieljongere’ is een mooi voorbeeld. Alle politieke partijen vinden een cultureel criterium voor een verblijfsstatus normaal. „Limburgser dan vlaai. Noord-Hollandser dan kaas. En Zeeuwser dan het meisje. Dat zijn de kinderen die ons land moeten verlaten”, zo stelt het Kinderpardon, dat onlangs werd gelanceerd door veel bekende Nederlanders.

Stel nu dat Mauro geen fraai Limburgs accent had of dat Sahar niet met een krullenbol, maar een hoofddoek in Friesland had rondgelopen, zouden ze dan nog in aanmerking komen voor het pardon?

Het idee dat nieuwkomers zich aan een inheemse cultuur moeten aanpassen, hoeft niet meer expliciet bepleit te worden; het lijkt voor zich te spreken. Gunstige aandacht voor cultureel verschil kan slechts rekenen op kritiek of ridiculisering.

Dit was te zien bij de halalwoningen. Elke gevoeligheid voor wensen van zogenoemde minderheden wordt gelijkgesteld aan bevordering van apartheid en gettovorming. Het aanbrengen van een schuifdeur wordt op die manier ‘ islamisering’.

Twintig jaar integratiepaniek heeft welgeteld één nationaal beginsel opgeleverd: bemoei je met jezelf. De stilte die er heerst, is verontrustend, omdat samenleven geenszins vanzelf gaat. Er is geen enkel constructief idee over hoe gezamenlijk de omgang met verschillen uit te vinden.

Alle verwachtingen liggen bij de nieuwkomers, die zich moeten aanpassen en de ‘eigen verantwoordelijkheid’ moeten nemen om anderen niet tot last te zijn.

Het regeerakkoord is duidelijk: „Voor betrokkenen en voor de samenleving is het van belang dat migranten op eigen benen kunnen staan, door werk in hun levensonderhoud voorzien, snel integreren en meehelpen de samenleving op te bouwen.”

Van gevestigde Nederlanders wordt niets meer verwacht. Er staat niets over ruimte maken voor nieuwkomers, elkaar proberen te begrijpen en wegwijs maken, of medeburgers en werkgevers aanspreken op racisme en discriminatie.

Uit de discussie zijn geen werkbare ideeën gekomen, dus heerst er nu doodse stilte. De verhoudingen zijn blijkbaar vastgesteld: er bestaan ‘nieuwkomers’ en ‘gevestigden’.

Zo verwordt cultuur tot een gesteente. Mensen zitten in groepen en groepen hebben een cultuur, en die cultuur heeft een afkomst. Er bestaan ‘Nederlandse normen en waarden’ van hier of ‘allochtone schaamteculturen’ van elders.

Vergeten wordt dat culturele noties als eer of schaamte volstrekt omstreden zijn. Er zijn Marokkaanse Nederlanders die vinden dat hun eer te allen tijde verdedigd moet worden. Er zijn ook Marokkaanse Nederlanders die vinden dat verdediging van eer mensen gevangen houdt. Dat zijn dikwijls dezelfde mensen.

Er is geen taal voor de creativiteit waarmee mensen met verschillen omgaan en nieuwe verschillen maken. Deftige begrippen als ‘culturele integratie’ zijn als de ‘vleeshufter’: wetenschappelijk onzin en maatschappelijk oninteressant.

Tot slot is de stilte ook uiting van het niet meer kunnen spreken over racisme. Alleen bij de meest uitgesproken incidenten mag iemand nog wijzen op het feit dat racisme een dagelijkse werkelijkheid is. Nieuwe Nederlanders moeten gewoon hun best doen, dan komt het allemaal vanzelf terecht.

Alle strenge en straffende taal is gericht op nieuwkomers. Nogmaals het regeerakkoord: „Inburgeringinspanningen worden consequent en vanaf het begin gevolgd. Wie zich onvoldoende inzet, verliest de verblijfsvergunning.”

Discriminatie hoeven we klaarblijkelijk niet ‘consequent en vanaf het begin’ te volgen. Wie zich aan discriminatie schuldig maakt, verliest weinig, en al helemaal geen verblijfsvergunning. Er wordt zonder enige gêne met twee maten gemeten. En zelfs daar wordt weinig over gesproken.

Nieuwkomers zijn tweederangsburgers geworden en statelozen moeten weg – maar we hebben het er niet meer over.

Evelien Tonkens, Jan Willem Duyvendak, Rogier van Reekum en Paul Mepschen zijn verbonden aan de afdeling antropologie en sociologie van de Universiteit van Amsterdam. Komende week presenteren zij de resultaten van hun onderzoek naar de culturalisering van burgerschap. Zie voor het programma van de slotconferentie: culturalization.nl

    • Jan Willem Duyvendak
    • Evelien Tonkens
    • Paul Mepschen
    • Rogier van Reekum