Met brede, wijze blik

Met een bundeling van zijn beste columns van de afgelopen jaren neemt J.L. Heldring, columnist van NRC Handelsblad, afscheid van de publiciteit. De oogst van zijn werk is een ode aan het heldere denken.

Wat is het verband tussen het hoerenbezoek van PvdA-politicus Rob Oudkerk en de stand van de vooruitgang? Deze twee onderwerpen en nog vele andere worden besproken in Dezer dagen, een selectie uit de columns die J.L. Heldring (1917) de afgelopen tien jaar voor deze krant schreef. In zijn inleiding zegt hij dat hij zelf geen rode draad in deze stukken heeft kunnen ontdekken, maar die is er wel degelijk: een grote aandacht voor de tijdgeest. Wat dat is? Heldring citeert het antwoord van de Duitse historicus Meinecke: ‘Dat weet ik niet, maar zij die hem niet aanvoelen, zijn niet geschikt mijn onderwijs en onderzoek te volgen’.

Volgens Heldring leven we in een tijd van onzekerheid en verval. Hij noemt symptomen als de groeiende weerzin tegen vreemdelingen (ook als ze uit EU-landen komen), het informatiebombardement dat burgers het spoor bijster doet raken (en zo de democratie ondermijnt), de teloorgang van sociale verbanden (familie, buren, buurt, kerk), de verleuking van politiek en media (‘We moeten op onze hurken gaan zitten om het de massa niet te moeilijk te maken’) en de uitholling van de vreemde talenkennis (Frans, Duits), te danken aan onderwijsvernieuwingen.

Met het verdwijnen van de religie en de grote ideologieën is volgens Heldring in het geseculariseerde Europa een ‘oergat’ ontstaan. De behoefte om in een groter verband op te gaan blijft urgent. De hang naar communie wordt bevredigd door openbare rouwdiensten (‘doodgriezelig’) voor beroemdheden als André Hazes en door popfestivals waar nota bene voormalig premier Lubbers wordt toegejuicht (‘Ruudje, Ruudje’) door een menigte jongeren: ‘Zullen ze iets van zijn boodschap hebben meegenomen? Anderen hebben al zoveel moeite hem te begrijpen!’

Het enige -isme dat op het ogenblik kans lijkt te maken, aldus Heldring, is het nihilisme. Een van de oorzaken is volgens zijn waarneming het doorbreken van taboes dat in de jaren 1960/’70 een progressief ideaal was. Het gedrag van Oudkerk legt de ‘innerlijke tegenstrijdigheid’ bloot van een socialistisch vooruitgangsdenken dat hoge morele standaarden predikt in het publieke domein (solidariteit met de zwakkeren) en tegelijk genotzucht in de privésfeer aanprijst, althans toestaat, ook als seksueel vertier wordt gezocht bij prostituees die slachtoffer zijn van een uitbuitingssysteem. De lezer mag zelf de conclusie trekken dat op deze wijze de vooruitgang zichzelf om zeep helpt en het verval zijn kans krijgt.

Is Heldring met zijn belangstelling voor het culturele fenomeen van de tijdgeest afgedreven van zijn oude stiel? Nadat hij in 1960 zijn rubriek ‘Dezer dagen’ ging schrijven, eerst in De Nieuwe Rotterdamse Courant en sinds 1970 in NRC Handelsblad, kreeg hij bekendheid als de realist die de internationale tegenstellingen van de Koude Oorlog analyseerde in termen van macht. Dit maakte hem in Nederland, waar politiek ook toen in de eerste plaats een morele categorie was, tot een aparte figuur.

De wereldpolitiek is na het einde van die periode regionaler en cultureler geworden. Heldring haakt in op deze verschuivingen. De opkomst van China en de Arabische revoluties hebben in Dezer dagen zijn aandacht. Maar zijn toegenomen interesse voor culturele ontwikkelingen markeert geen breuk in zijn denken. Zijn belangstelling voor immateriële factoren is altijd al groot geweest.

In ‘Het weerstrevend contrast’, het openingsessay van zijn bundel Het verschil met anderen (1979), toont hij zich schatplichtig aan Carry van Bruggen, die ook in Dezer dagen wordt genoemd. In haar boek Prometheus (1919) herleidt zij het politieke gedrag van mensen en naties tot de drang zich te onderscheiden en zich tegen anderen af te zetten. Heldring onderschrijft dit credo. Individuen en, meer nog, collectiviteiten zoals naties, laten zich leiden door belangen en de wil macht uit te oefenen, maar ook door cultureel-psychologische factoren als vooroordelen, passies en emoties.

Aan die tweezijdige opvatting over politiek heeft Heldring altijd vastgehouden, zoals ook blijkt uit twee slotstukken van Dezer dagen over Nederland en Europa. Hij hekelt in die artikelen het nostalgische gekreun over de slijtage van de Atlantische banden. Amerika en Europa drijven nu eenmaal, bij ontbreken van urgente gemeenschappelijke belangen, uit elkaar. Nederland moet zich daarom volgens Heldring op Europa richten en vooral bij het voor ons zo belangrijke Duitsland aanschuiven.

Dit land is inmiddels de leidende mogendheid op het oude continent en zal dus steeds meer het lot van de EU bepalen. Tegelijkertijd is Heldring gereserveerd, zo niet pessimistisch over de toekomst van een Europese samenwerking die oploopt tegen culturele scheidslijnen. De schuldencrisis is volgens hem au fond een politiek-culturele crisis: ‘In het zuiden is het normaal wetten te ontduiken en zich te onttrekken aan de verplichtingen die de staat oplegt ... in het noorden geldt daarentegen gehoorzaamheid aan wetten en verplichtingen nog veelal als norm’. Nederland heeft binnen deze combinatie van machtsverhoudingen en cultuurverschillen geen andere keus dan de banden aan te halen met een Duitsland dat Europa mede dankzij de Nederlandse steun op koers kan proberen te houden.

Heldring is vaak en terecht geprezen om zijn belezenheid, zijn scherpte en zijn veelzijdigheid. Van die kwaliteiten geeft hij ook weer blijk in deze nieuwe bundel artikelen, die hij schreef tussen zijn 85ste en 95ste levensjaar. Maar in een land waar de ongeremde verspreiding van de column een stortvloed aan instant-impressietjes en dito meninkjes voortbrengt, is hij als rubriekschrijver vooral een opvallende figuur door zijn trouw aan zichzelf. Die eigenschap geldt om te beginnen voor de wijze waarop Heldring schrijft over zijn kinderjaren, wat hij overigens in deze bundel jammer genoeg veel minder doet dan in bijvoorbeeld Een dilettant (1989). Hoewel hij als jongetje van nog geen zeven jaar zijn moeder verloor, valt in zijn herinneringen geen spoor te bekennen van zich tekortgedaan voelen, laat staan van verbittering. Integendeel, hij schrijft over die jeugdperiode met een ondertoon van genegenheid en met een onverhulde dankbaarheid voor de vorming die hij thuis heeft meegekregen.

Die loyaliteit aan zijn eigen geschiedenis is bij Heldring het fundament van een zelfverzekerdheid die hem in staat stelde een uitgesproken en consistent wereldbeeld te ontwikkelen. De inhoud daarvan is gevormd gedurende vele jaren van lezen en observeren. Al in zijn opstel ‘Lof van het conservatisme’, opgenomen in Het verschil met anderen en geschreven in de jaren ’70 – een periode waarin de tijdgeest werd beheerst door het optimistische vooruitgangsdenken – heeft hij zijn pessimistische levensvisie uiteengezet.

Heldring toont zich doordrongen van de menselijke kwaadaardigheid, die in de geschiedenis van de 20ste eeuw vooral in Europa op extreme wijze heeft toegeslagen. De taak van de politiek is niet de wereld te verbeteren, maar het ergste te voorkomen. Want Heldring weet dat het altijd nog erger kan worden. Zijn mentale universum draagt de diepe sporen van crisistijd en vooral Tweede Wereldoorlog. De invloed van die periode is ook zichtbaar in zijn opvattingen over de huidige tijdgeest en in zijn opmerkingen over valse profeten die klaar staan om de vigerende onzekerheid politiek te exploiteren.

Dat Heldring trouw is gebleven aan zijn wereldbeeld, betekent allerminst dat hij vastgeroest is geraakt. Zijn conservatisme is veranderingsgezind en hij heeft een open oog voor nieuwe ontwikkelingen, zoals ook weer uit deze bundel blijkt. Bij die houding hoort ook een groot respect voor feiten en een voorkeur voor analyse boven oordeel. Hij documenteert en argumenteert. Geholpen door zijn vaste kompas dringt hij door tot de kern van de zaak door samenhangen op te sporen die onopgemerkt zijn gebleven. In moraliseren, beschuldigen of verketteren is hij niet geïnteresseerd. Ook tippelant Oudkerk wordt niet aan de schandpaal genageld, maar opgevoerd als de man die met zijn gedrag het failliet van het vooruitgangsdenken blootlegt.

Afgelopen voorjaar is Heldring gestopt met zijn rubriek. ‘Met deze bundel neem ik afscheid van de publiciteit’, schrijft hij in de inleiding van Dezer dagen. Hoe moet het nu verder met zijn afgeronde werk? Er zijn vier mooie bloemlezingen, behalve de drie genoemde ook nog het in 2003 verschenen Heel ons fundament kraakt. Maar deze titels bieden slechts een fractie van een oeuvre dat sinds 1960 is uitgegroeid tot naar schatting 2500 artikelen. Het is in zijn geheel een leerschool in politiek denken en een spiegel van ruim een halve eeuw nationale en internationale geschiedenis. Als dit werk aan de vergetelheid zou worden prijsgegeven, komt dit neer op een daad van culturele barbarij – waarover Heldring zich overigens niet zou verbazen en nog minder zou beklagen.

De artikelen van Raymond Aron (1905-1983), de Franse commentator die een voorbeeld was voor Heldring maar voor wie hij niet onderdoet, zijn inmiddels in een geannoteerde dundrukeditie van vijf kloeke delen verschenen. Zo’n project zal financieel gezien wel moeilijk navolgbaar zijn.

Maar het zou een mooi gebaar zijn als de directie van NRC Handelsblad, uit respect voor de geschiedenis van haar eigen krant, middelen ter beschikking stelt om het complete werk van Heldring te laten digitaliseren. Dan worden zijn artikelen toegankelijk voor onderzoek dat in de eerste plaats moet leiden tot een monografie over Nederland en de wereld volgens J.L. Heldring. Dat boek zal ons veel kunnen leren over zijn boeiende wereldbeeld, over de transformatie van de internationale betrekkingen, maar vooral over onszelf als natie.

    • Ronald Havenaar