Gabberhouse aan de Maas

Moeilijke mannen waren het, de literaire hoofdrolspelers in Gehavende stad. Muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu. C.B. Vaandrager, Riekus Waskowsky, Robert Loesberg en A. Moonen -– allemaal worstelden ze met het leven. Ze werkten niet van 9 tot 5 gestaag aan een oeuvre, maar ploeterden, kregen weinig erkenning en werden afgeleid door drank, drugs, vrouwen of aanvallen van gekte.

Sommigen, zoals Robert Loesberg, schrijver van onder meer de roman Enige defecten die bij voorkeur driedelig gekleed ging, waren zelfs suïcidaal. Hij gooide zichzelf een paar keer van de trap en sneed een keer zijn polsen door. ‘Op 27 december 1990 wordt hij thuis aangetroffen’, schrijven de Rotterdamse journalisten Fred de Vries (1959) en Erik Brus (1964) in Gehavende stad. ‘Men vermoedt dat hij een epileptische aanval heeft gekregen en van de trap is gevallen. Met zijn laatste krachten is hij de trap opgeklommen en in zijn huiskamer aan bloedverlies overleden.’

Alleen de dichter Jules Deelder ontsnapt aan de onder Rotterdamse literatoren gebruikelijke neiging tot zelfdestructie. Weliswaar gebruikt ook hij veel en graag drugs, maar hij gaat er niet aan ten onder. Deelder duikt dan ook steeds op in Gehavende stad, maar de echte hoofdfiguur is hij toch niet. Dat is de dichter-schrijver C.O. Vaandrager (1935-1990), aan wie in elk van de vijf hoofdstukken van het boek een paragraaf is gewijd. Tezamen vormen de stukken een minibiografie van de ex-reclamemaker, die in bundels als De Hef en Sampleton ‘een mengsel van spreektaal, Rotterdamse uitdrukkingen, Engelse en Duitse slang’ publiceerde, zoals De Vries en Brus zijn ‘antipoëzie’ omschrijven.

Anders dan Deelder, die altijd een jazzliefhebber is gebleven, had Vaandrager ook belangstelling voor andere, latere muzieksoorten. In de punktijd is de Amerikaanse protopunker Iggy Pop zijn favoriet. En later, omstreeks 1990, blijkt zijn werk veel overeenkomsten te vertonen met de rappers en hiphoppers die, net als Vaandrager in zijn dichtkunst, gebruik maken van samples, zo stellen De Vries en Brus vast.

De stukken over Vaandrager en andere Rotterdamse schrijvers worden onderbroken door schetsen van het jazz- en popmuziekleven in Rotterdam. Soms zijn het nauwelijks meer dan opsommingen van muziekstukken en optredens. Maar in veel artikelen hebben de auteurs interviews verwerkt met schrijvers en muzikanten. Over A. Moonen, volgens sommigen ‘de vieste schrijver van Nederland’, schreef Erik Brus een persoonlijk verslag van zijn ontmoetingen met hem vlak voor zijn dood.

Wat alle verhalen met elkaar gemeen hebben is dat ze bestaan uit simpele, onopgesmukte zinnen, alsof Brus en De Vries besmet zijn geraakt met het no-nonsense-virus van de door hen beschreven Rotterdamse literatoren. Ze suggereren dat dit de taal is die hoort bij Rotterdam, dat, geheel volgens het clichébeeld, ook in de Gehavende stad, een lege, kale arbeidersstad is waarmee de bewoners een haat-liefde-verhouding hebben. ‘Een dorp aan de rivier’, zegt bijvoorbeeld Jules Deelder over zijn stad. ‘Er wonen ontzettend veel bekrompen mensen, met een fobie voor vreemdelingen’. Toch is Rotterdam volgens bijna alle Rotterdamse schrijvers en muzikanten nog altijd beter dan Amsterdam, de pretentieuze hoofdstad waar ze zich door een cultivering van rauwe directheid tegen afzetten.

Tot een muzikale bloei heeft deze houding nauwelijks geleid. In de jaren zestig had Rotterdam zijn jazzcafés, maar een jazzstad is het nooit geworden. Ook de tijdperken van de beatmuziek en de hippies hebben weinig opgeleverd. Wél werd Rotterdam volgens de De Vries en Brus de punkhoofdstad van Nederland. Het ‘Do-it-yourself’ van de punk paste bij de stad. Maar het absolute muzikale hoogtepunt was toch de gabberhouse uit de eerste helft van de jaren negentig, de extreem harde, Rotterdamse variant van house die de stad voor de eerste en enige keer als muziekstad internationaal bekend maakte.

Erik Brus en Fred de Vries: Gehavende stad. Muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu. Lebowski Publishers, 396 blz. € 25,-