...en ontvangt wachtgeld

Het vertrek als staatssecretaris van Landbouw van Co Verdaas leidde gisteren in de Tweede Kamer ook tot kritiek op het wachtgeld dat hij zal ontvangen, voornamelijk van de zijde van SP-fractieleider Emile Roemer.

Hij trok de vergelijking met een ontslagen werknemer, die, als het kabinet-Rutte II zijn plan doorzet, al na één jaar WW-uitkering terugvalt op bijstandsniveau.

Afgezet tegen de ruim drie jaar wachtgeld die Verdaas tegemoet mag zien, klinkt dat wrang. Maar het is ook scoren in open doel. Ook dan geldt echter dat een doelpunt ongeldig is, als het in buitenspelpositie is gemaakt.

Want de rechtspositie van een werknemer is niet dezelfde als die van een fulltime politicus. Wie wethouder, gedeputeerde, Tweede Kamerlid, staatssecretaris of minister wordt, neemt een risico. Hij zegt zijn baan op en gaat een ambt vervullen waaruit hij elke dag kan worden verwijderd. Opzegtermijnen bestaan niet in de politiek. Aanspraak op WW evenmin.

Daarom is er het wachtgeld. Een regeling die per 18 september van dit jaar opnieuw is versoberd. Kort daarvoor had de Eerste Kamer, in navolging van de Tweede Kamer, een voorstel van het eerste kabinet-Rutte aangenomen om de maximumduur van het wachtgeld terug te brengen van vier jaar naar drie jaar en twee maanden. Bovendien heeft ook de ex-politicus een sollicitatieplicht gekregen. Met de regeling is aansluiting gezocht bij het (nu nog) geldende WW-regime.

Wie minder dan drie maanden een ambt als staatssecretaris heeft vervuld, heeft recht op maar zes maanden wachtgeld. Een wantoestand als in 2002 met Philomena Bijlhout (LPF) kan zich dus niet meer voordoen. Zij was welgeteld acht uur staatssecretaris en had niettemin recht op wachtgeld met een duur van tweeënhalf jaar.

Dat Verdaas iets meer dan drie jaar van deze regeling gebruik kan maken, komt doordat hij ruim vijf jaar gedeputeerde in Gelderland was, alvorens hij zo kortstondig als staatssecretaris fungeerde.

De wachtgeldregeling is, zoals het hoort, amoreel. Zij is niet afhankelijk van een juryrapport waarin over het optreden van de politieke ambtsdrager wordt geoordeeld.

Of Verdaas niettemin zal moeten boeten voor zijn handelwijze als vals declarerende PvdA-gedeputeerde, is een andere zaak. Een Statenlid van de PVV in Gelderland heeft aangifte tegen hem gedaan. Het heeft er de schijn van dat Verdaas door zo te declareren en te doen alsof hij niet in Zwolle maar in Nijmegen woonde, valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

Of vervolging en veroordeling van dit gedrag aan de orde is, is nu aan het Openbaar Ministerie, dat deze zaak, zo mag worden aangenomen, in onderzoek zal nemen, en aan de rechter ter beoordeling.