Eén zaak is zeker: clubgevoel is aan het afnemen

Is er een verband tussen agressie op het voetbalveld en etniciteit? Niet eenduidig. Zeker is wel dat clubs kampen met dalende betrokkenheid: wie heeft er zin om een bardienst te draaien?

Voetbalwedstrijd tussen de E-pupillen van de Amsterdamse clubs TOS Actief en Zeeburgia, in 2007. Foto Herman Wouters

Je kunt, zoals Geert Wilders deze week na de dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen deed, een verband leggen tussen etnische afkomst en agressie op het voetbalveld: de drie verdachten hebben immers een allochtone achtergrond. Maar eenvoudig is dat niet.

Er is weleens vastgesteld, in een onderzoek dertien jaar terug, dat allochtone sportteams „buitensporig vaak” betrokken zijn bij incidenten. „Maar dat is al lang geleden en sindsdien is er veel veranderd”, zegt de auteur van dat onderzoek, Jan Janssens, lector sport, management en ondernemen aan de Hogeschool van Amsterdam en zelf ervaren als trainer, coach, scheidsrechter en grensrechter in het jeugdvoetbal.

En dan nog. Stel dat Turkse, Marokkaanse en Curaçaose voetballers zich agressiever gedragen dan autochtone voetballers, mag je dat dan toeschrijven aan een vermeende volksaard? „Laat elf afgestudeerde Marokkanen spelen tegen elf kaaskoppen met een gezamenlijk IQ van honderd, en je weet waar de narigheid vandaan komt”, zegt de voorzitter van de jeugdcommissie van een club uit de Haagse regio. Goede omgangsvormen zijn vaak een kwestie van opleiding en opvoeding, wil hij maar zeggen.

Het is in het algemeen een hachelijke zaak om geweld toe te schrijven aan allochtone bevolkingsgroepen. „Wij registreren leden niet op afkomst. Dus daar kunnen we niets over zeggen”, laat de KNVB weten. „Agressie is niet specifiek etnisch”, zegt Otto Adang, lector openbare orde en gevaarbeheersing aan de Politieacademie in Apeldoorn. „U moet eens goed opletten wat er tijdens de jaarwisseling allemaal gebeurt. Daar zijn heel veel autochtone Nederlanders bij betrokken.”

Wat je wél kunt constateren, is dat allochtone voetballers en hun ouders zich in het algemeen minder betrokken voelen bij een Nederlandse voetbalvereniging dan de autochtone leden. Daardoor kan er een schisma binnen een club ontstaan. „De zogenoemde derde helft, waarbij spelers na de wedstrijd napraten, een pilsje drinken en een bitterbal eten, is voor clubs belangrijk. Daar doen allochtonen nauwelijks aan mee”, zegt voorzitter Sjoerd Vegter van VVZ’49 uit Soest.

Er zijn meer verschillen tussen autochtonen en allochtonen. Gezamenlijk douchen is geen gemeengoed meer. En volkomen naakt al helemaal niet. Er is ook vaak onbegrip bij allochtone ouders. Ze betalen contributie, zetten hun zoon af bij het toegangshek en veronderstellen dat daar hun betrokkenheid eindigt. Moeten ze een bardienst draaien? Een team naar uitwedstrijden rijden? Is dat niet de verantwoordelijkheid van de club?

Maar ook de animo onder autochtonen is tanende voor dat soort vrijwilligerswerk op de sportclub. Zoals veel Nederlanders steeds minder zijn gaan voelen voor alles wat met gemeenschapszin te maken heeft. De actiefste clubmensen zijn vaak al op leeftijd.

Ziedaar de verklaring voor het schrijnend gebrek aan vrijwilligers in het amateurvoetbal. Voetbalclub Advendo uit Breda heeft om die reden een ledenstop ingesteld. „We willen meer leden, maar we hebben niet voldoende trainers en begeleiders”, zegt voorzitter Ruud van Dijk. Vanaf komend jaar wil de club 30 euro extra contributie vragen. Dat bedrag kun je terugverdienen door klusjes voor de club te doen: rijden naar uitwedstrijden, fluiten, schoonmaken.

Verminderde betrokkenheid bij clubs is gevaarlijk. Die desinteresse kan leiden tot agressie op het veld, zegt directeur Edu Jansing van de stichting Meer dan Voetbal, opgericht door de KNVB, de eredivisie en de eerste divisie. De stichting werd in het leven geroepen „om de verbindende kracht van het voetbal in te zetten voor een sterkere samenleving”. Jansing: „Agressie komt overal voor. Bij de rellen in Haren heb ik weinig Marokkanen gezien.”

Volgens Jansing er er wel sprake van invloed van de straatcultuur van „bijvoorbeeld Marokkaanse jongeren”, die doordringt op het voetbalveld. „Een kaartje leggen en een bal gehakt met een biertje is er voor hen niet bij. Ze komen recht uit de achterstandswijk, waar ze zonder autoriteit van hun ouders op straat leven. Daar vechten ze hun conflicten uit. Zulke jongens willen voetballen en scoren. Als ze dan worden gecorrigeerd door een scheidsrechter, kunnen ze daar niet tegen. Dan gaan ze vechten. Als ze niet worden gecorrigeerd, ontsporen ze.”

Grotere betrokkenheid bij een club biedt overigens geen garanties: de vader van een van de jongens die wordt vastgehouden voor de dood van grensrechter Nieuwenhuizen is al twaalf jaar „zeer betrokken” bij de club, als trainer en scheids- en grensrechter, zo meldde het EO-programma De Vijfde Dag gisteravond.

Officieel heeft de nationale voetbalbond geen allochtonenbeleid. „De KNVB maakt geen uitzonderingen op het gebied van afkomst, geloofsovertuiging, seksuele geaardheid of andere zaken. Voetbal is van iedereen”, zo heet het.

Maar de dood van de grensrechter in Almere heeft in korte tijd veel losgemaakt. Clubs zinnen op manieren om leden te disciplineren en om de clubliefde te vergroten. Zodat straatjochies en hun ouders weten bij welke club ze spelen, welke normen en waarden die club wenst uit te dragen, welke straffen op misdragingen staan, en zich wel twee keer bedenken voor ze een scheidsrechter aanvallen.

Sommige clubs proberen autochtoon en allochtoon zoveel mogelijk te mengen. Voorzitter Vegter van VVZ’49: „Een ongeschreven regel bij ons luidt dat er niet meer dan drie Turken of Marokkanen in een team mochten zitten. Wij vinden diversiteit in onze vereniging heel belangrijk.” Bij Alphense Boys werd in het verleden een Turks team ontmanteld om te voorkomen dat er een ‘club in een club’ zou ontstaan.

Volgens Vegter is het zaak dat het onderlinge begrip tussen autochtonen en allochtonen wordt vergroot. Zo zou het volgens hem goed zijn als er meer Turkse, Marokkaanse en Curaçaose scheidsrechters en clubbestuurders worden opgeleid. „Marokkaanse jongeren hebben vaak meer respect voor hun eigen ‘buurtvaders’. Dat zal bij scheidsrechters ook zo kunnen zijn. Misschien zou de KNVB daar meer rekening mee kunnen houden. Maar het is ook goed om autochtone scheidsrechters te wijzen op cultuurverschillen. Op een voetbalveld worden die weleens uitvergroot.”

Spelers uit het betaald voetbal vormen voor het amateurvoetbal een belangrijke voorbeeldfunctie, meent Jansing. „Laat de voorzitter van een amateurclub maar vragen of een trainer of een of twee spelers van een grote club eens langs wil komen. Kunnen die in de kleedkamer praten met een groep lastige spelertjes. Dat helpt”, zegt Jansing. Feyenoord heeft, net als andere clubs, plannen voor een dergelijk bezoek aan amateurclubs.

Misschien is het nog wel belangrijker dat topvoetballers en bestuurders van profclubs zich netter gaan gedragen, denkt Jansing. Naar hen wordt gekeken, zij zijn de idolen van de jeugdvoetballers, zij worden nagevolgd. De profs komen dit weekeinde in tegenstelling tot de amateurs wel in actie. Alle ogen zullen extra op hen zijn gericht. Jansing: „Elk weekeind opnieuw zie je profvoetballers die zich als kleuters gedragen, maar door hun club niet worden aangepakt. De top zou in de spiegel moeten kijken. Fatsoen en integriteit tonen, daar gaat een voorbeeld van uit.”