Een vader als (on)misbare gids

Inmiddels zijn vier boeken van Ernst Weiß (1882-1940) in het Nederlands vertaald. De arme verkwister is zijn beste boek, waarin een zoon wordt opgejaagd door zijn vader en getroffen door het noodlot.

De sleutelscène van De arme verkwister, een van de grote romans uit het oude Oostenrijk, staat in het eerste deel. De verteller, een onzekere puber nog op dat moment, heeft lang gespaard om voor zijn beminde vader een mooi verjaardagscadeau te kopen: zijden stropdassen. Maar er gaat iets mis. Hij verstopt de stropdassen uitgerekend in een buiten gebruik gewaande kachel waar ze enigszins verschroeid raken. En wat nog veel erger is: zijn vader denkt dat de stropdassen gestolen zijn, hij beschuldigt zijn zoon en maakt een scène: ‘Niet te geloven wat zo’n opgroeiende bengel allemaal verzint.’ Als later blijkt dat zijn zoon ze van zijn zakgeld heeft gekocht noemt hij hem een verkwister.

Dat zet toon van Ernst Weiß’ roman De arme verkwister: de afwijzing door zijn vader en het verwijt van verspilling komen regelmatig terug. Het laatste is geen toeval, want de vader is van het zuinige soort, of zeg maar gewoon: hij legt een pathologische schraperigheid aan de dag – des te opmerkelijker omdat hij als gerenommeerd oogarts, die zijn geld heeft belegd in diverse huurkazernes, tot de rijkste burgers van de stad behoort. Uit de klinieken waar hij werkt brengt hij regelmatig stukjes zeep mee voor thuisgebruik, en van iedere gebruikte kolenkit houdt hij penibel boek.

De oogarts klaagt niet alleen over verkwisting in materiële zin. Als zijn zoon, die hij tot zijn opvolger heeft voorbestemd, wil kiezen voor de psychiatrie, raadt hij hem dit af met als argument dat hij met die ‘nutteloze’ studie zijn talenten verspilt. En als de in seksueel opzicht sterk geremde verteller om ervaring op te doen, en tevens uit medelijden, een relatie aangaat met een eenvoudig kamermeisje uit Tirol – met wie hij later zal trouwen – heeft zijn vader voor de aanstaande schoondochter een weinig vleiende opmerking achter de hand: Vally is een ‘van de straat opgeraapte sloerie’.

Voortreffelijk vertaald

De arme verkwister van de Oostenrijkse arts-schrijver Ernst Weiß (1882-1940) is een typische vader-zoonroman, maar het is meer dan dat. Dit werk, het beste van Weiß, verscheen in 1936 bij de emigrantenafdeling van Querido in Amsterdam en is nu door Hans Driessen en Marion Hardoar voor het eerst vertaald – voortreffelijk vertaald moet je erbij zeggen.

Zes jaar geleden werd Ernst Weiß – hij pleegde zelfmoord één dag na de intocht van de nazi’s in Parijs – hier te lande geïntroduceerd met de schitterende, in zijn nalatenschap gevonden liefdesnovelle Jarmila. In 2007 volgde de in thematisch opzicht hoogst opmerkelijke roman De ooggetuige, waarin een arts-psychiater optreedt die kort na de Eerste Wereldoorlog de jonge en dan nog onbekende A.H. (Adolf Hitler) van een oogkwaal geneest en daarmee onbedoeld zijn latere carrière mogelijk maakt. Twee jaar geleden verscheen nog de zwakkere roman Franziska (1916).

Het omvangrijke werk van Ernst Weiß is in sommige opzichten verwant aan dat van andere Oostenrijkse schrijvers als zijn vriend Stefan Zweig, aan wie De arme verkwister is opgedragen). Beiden hadden een grote belangstelling voor de psychoanalyse en waren beïnvloed door de theorieën van Sigmund Freud en Alfred Adler. Maar Weiß heeft ook het nodige gemeen met Joseph Roth, en zijn vader-zoonconflict vindt natuurlijk een duidelijke parallel bij Franz Kafka, met wie Weiß in 1914 de zomervakantie doorbracht – en die het bovengenoemde Franziska ‘heiß und schön’ noemde.

De arme verkwister begint als de naamloze verteller twaalf jaar oud is. Hij heeft een bijna grenzeloze bewondering voor zijn energieke, wilskrachtige en succesvolle vader Maximilian K., een autoriteit binnen de medische wereld. Maar tevens boezemt deze dominante en soms zelfs dictatoriale man hem angst in. Het is deze combinatie van bewondering en angst, van haat en liefde, die niet alleen de jeugd van de verteller bepaalt, maar ook een grote invloed zal hebben op zijn leven als volwassene. Hij blijft voor de rest van de roman onzeker, zonder vaste identiteit, lange tijd op zoek naar een ‘gids’ – zoals hij nog op zijn 30ste constateert.

De verteller wil arts worden, maar zijn vader raadt hem dit af en stuurt hem naar een handelsschool. Later kan hij toch medicijnen studeren en tijdens de Eerste Wereldoorlog werkt hij als legerarts aan het front in Oost-Europa. Daar leert hij, inmiddels getrouwd met de bovengenoemde Vally, de mooie en uit aristocratische kringen afkomstige Eveline kennen, die op haar beurt getrouwd is met een rijke Pool. Na de oorlog leeft hij samen met deze Eveline. Het worden de mooiste jaren van zijn leven. In deze delen van de roman schittert Weiß met enkele grandioze liefdesscènes.

Maar dan slaat het noodlot toe en volgt het dramatische hoogtepunt. Eveline blijkt aan tuberculose te lijden en sterft kort na de geboorte van een dochter. De verteller staat nu aan de rand van zelfmoord, zijn testament is al geschreven als hij plotseling een telegram krijgt waaruit blijkt dat zijn vader een beroerte heeft gehad. Hij keert terug naar zijn ouderlijk huis waar hij gaandeweg de praktijk van zijn vader overneemt, zelf succesvol wordt als oogarts en zich ook weer lijkt te verzoenen met Vally. Totdat een nieuw noodlot zich aandient.

Meteen na het verschijnen werd De arme verkwister in de emigrantenpers enthousiast besproken door onder anderen Alfred Döblin, Albert Ehrenstein en Klaus Mann, die de nadruk legden op de psychologische aspecten van de roman. Inderdaad heeft Weiß veel belangstelling voor de conflicten en de machtsstrijd tussen vader en zoon, die gebukt gaat onder minderwaardigheidsgevoelens en naar overcompensatie neigt. Eerst onttrekt hij zich aan zijn vader door voor de psychiatrie te kiezen, later wil hij als oogarts alles nog beter doen dan zijn vader, en hij wordt een extreem toegewijde medicus – ‘vlijtig als een mier’ zegt een van zijn collega’s. Weiß geeft – en dat is misschien wel zijn grootste verdienste – een genuanceerd en realistisch beeld van zijn personages, zonder te vervallen in het karikaturale. Zelfs de vader van de verteller wordt niet uitsluitend negatief beschreven. Hij is weliswaar een regelrechte carrièremaker en geldwolf, maar anderzijds is hij ook charmant en humoristisch.

Politieke veranderingen

De arme verkwister beslaat de eerste drie decennia van de vorige eeuw, een periode die voor Oostenrijk van groot belang is geweest en waarin de Habsburgse dubbelmonarchie definitief uiteenviel. Op de achtergrond worden deze politieke veranderingen zichtbaar. Na WOI ontstaat er al snel een machtsvacuüm alsook een terugverlangen naar Die Welt von gestern, om Stefan Zweigs autobiografie aan te halen. In deze fase ruiken de fascisten en andere radicalen hun kans. De nieuwe stromingen worden in de roman gepersonifieerd door Perikles, een warhoofdig-filosofische jeugdvriend, later zelfs een tijdlang psychiatrie-patiënt van de verteller. Deze Perikles, bijna een karikatuur van Nietzsches ‘Übermensch’, kondigt het naderende onheil aan.

Tegenover deze Perikles staat in de roman de vader van de verteller, een uitgesproken traditionele en patriottische man, het prototype van de oud-Oostenrijker. Hij debiteert opvattingen als: ‘Ik geloof in mijn oude keizer en in mijn geliefde vaderland. En dus, als ik het zo mag zeggen, geloof ik ook in God.’

Ernst Weiß schrijft helder, nuchter proza zonder duidelijke opschik. Het verteltempo ligt hoog, de gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Bijzondere vermelding verdient zijn eigenaardige droogkomische humor, een soort humor die niet lacht, bijna lees je eroverheen. Bijvoorbeeld als het weer eens gaat over de zuinigheid van de oogarts, die zijn zoon op reis stuurt en hem geen koffer wil meegeven. Hij moet zich behelpen met een kartonnen doos: ‘Het is maar voor een paar dagen.’

    • Wil Rouleaux