Een haarfijn oog voor groot talent

Anne Sinclair is behalve de ex van DSK ook kleindochter van de Parijse kunsthandelaar die Picasso groot maakte. Over hem schreef ze een persoonlijk portret.

Eenmaal ruim over de helft van het leven pakt menigeen onwillekeurig de draad van het begin weer op. Zo ook Anne Sinclair, ooit een prominente journaliste op de Franse televisie, en nu hoofdredactrice in Parijs van de nieuwssite Le Huffington Post – al zal ze voorlopig vooral bekend blijven als de voormalige echtgenote van IMF-topman Dominique Strauss-Kahn.

In het onlangs vertaalde Rue La Boétie 21 blijft haar ex volledig uit zicht. Ze portretteert het leven van haar grootvader Paul Rosenberg (1881-1959), die vanaf 1911 naam maakte met de handel in impressionistische schilderijen. Zijn galerie was gevestigd in een schitterende, klassiek museale ruimte in de Rue La Boétie 21 in Parijs, zoals een aantal foto’s in het boek laat zien. Tussen WOI en WOII behoorden Picasso, Braque, Matisse en Léger tot zijn stal, namen die nog niet borg stonden voor torenhoge inkomsten.

Toch garandeerde Rosenberg hen een inkomen, vrijheid dus, waar vooral zijn buurman Picasso zeer op was gesteld. En wie huiverig stond tegenover diens moderniteit, kon bij Rosenberg altijd nog een Van Gogh, Renoir, Delacroix of Corot aanschaffen.

Anne Sinclair (1948) kijkt terug op haar jeugd en reisde naar de plekken waar haar grootvader woonde en werkte, naar het kasteeltje in Floirac, bij Bordeaux, waar hij na de Parijse intocht van de nazi’s tijdelijk onderdak vond en naar New York, waar hij met zijn gezin dankzij de tussenkomst van Alfred Barr, de legendarische directeur van het Museum of Modern Art , een nieuw leven kon beginnen.

Intussen roofden de nazi’s in Parijs en Floirac zo’n 400 schilderijen van Rosenberg – Cézanne, Van Gogh, Ingres, Renoir, Manet, Bonnard, Picasso, Braque – plus diens bibliotheek, meubilair etc. De galerie werd in bezit genomen door het Institut d’étude des Questions Juives, een antisemitische club waar schrijver Louis-Ferdinand Céline zich vaak liet zien.

Rosenberg opende in New York een nieuwe galerie, organiseerde tentoonstellingen met werken uit onder meer zijn Londense galerie en betoonde met schenkingen aan het MoMA zijn dank voor de herkansing.

Anne Sinclair was een bevoorrecht kind. Ze werd op museaal sleeptouw genomen door haar liefhebbende grootvader, zelf zoon van een kunsthandelaar. Later in haar leven liet diezelfde grootvader haar nogal onverschillig, schrijft ze. Ze was de oorlogsverhalen zat en richtte zich in Frankrijk liever op politiek en journalistiek. Want kunsthandelaren deugen niet, dacht ze toen, ze maken fortuin over de rug van arme sloebers. Nee, dan liever haar vader, Robert Schwartz, een ‘heldhaftig’ soldaat uit WO II, die zich om veiligheidsredenen gedwongen zag zijn Joodse naam te wijzigen in ‘Sinclair’.

Identiteitskaart

Dit boek was nooit geschreven als Anne Sinclair in 2010 na een verhuizing in Parijs niet een identiteitskaart was geweigerd. Bureaucratisch gezanik over haar geboorte in New York en het onduidelijk bevonden staatsburgerschap van haar grootouders irriteerden haar mateloos. Het voorval rakelde haar eigen jeugd en de geschiedenis van het antisemitisme in Frankrijk op, het heulende Vichy-regime in de oorlog, het verleden van haar grootvader die een dag na zijn trouwen als Frans soldaat aan het front van WOI werd verwacht – met, zoals later blijkt, pijnlijke gevolgen voor zijn huwelijk.

Ook de grijpgrage, Franse personeelsleden van de galerie, ‘kleine garnalen’, en concurrenten van haar grootvader die het op zijn achtergelaten bezittingen hadden gemunt, geeft ze er in haar boek van langs. Evenals de ‘foute’ leiding van het cosmeticaconcern L’Oréal, de vader van Frankrijks rijkste vrouw Liliane Bettencourt, die recent in het nieuws kwam vanwege het onbekwame beheer van haar vermogen. Na de oorlog, terug in zijn geliefde Frankrijk, zou Paul Rosenberg zelf in Zwitserland de kunsthandelaren afstruinen die een slaatje hadden geslagen uit zijn destijds geroofde en/of geveilde bezittingen.

Sinclair was elf toen haar grootvader overleed. Ze heeft hem niet echt gekend, en dat sijpelt door in dit kordaat geschreven boek. Paul Rosenberg is hierin geen massieve gestalte, maar een verbrokkelde heer van stand, ‘sober, autoritair, een harde zakenman, een tikkeltje ouderwets, gevoelig voor de minste vleierij, en bijzonder trots’.

Elders in het boek komt deze man, die zelf zo graag schilder had willen zijn, juist als een angstige, dus wantrouwige, ziekelijke, zelfs depressieve man naar voren, ‘met een getormenteerd karakter’: ‘Ik voel me altijd het best waar ik niet ben’, schrijft hij aan Picasso. Tegelijkertijd hield hij er onwrikbare opvattingen op na over schilders en schilderijen die wél en niet deugden: ‘Ik wil geen blote konten in mijn galerie’, aldus een brief aan Picasso die een naaktportret van zijn Marie-Thérèse Walter in de aanbieding had. Rosenberg koesterde een grenzeloos vertrouwen in zijn modernistische favorieten en stelde alles in het werk om hen aan de man te brengen: ‘Zijn esthetische keuzes hadden altijd de overhand op commerciële keuzes’, aldus zijn kleindochter.

Visionair

Een visionair was hij ook: in de jaren dertig al omschreef Rosenberg Picasso als ‘de grootste van deze tijd’ en ‘de meest productieve schilder uit de geschiedenis’, terwijl de eerste tentoonstelling van diens werk in New York geen stuiver had opgebracht. ‘De slechtste schilder bij ons is hier de beste’, schreef hij vanuit de VS aan ‘Pic’, die hem op zijn beurt aansprak als ‘Rosi’. Een innige vriendschap, die Picasso er overigens niet van weerhield om kort na de oorlog terug te keren naar Rosenbergs Parijse concurrent Daniel-Henry Kahnweiler.

Rosenberg liet geen memoires na, dat vond hij ‘vulgair en ongepast’. Jammer, want je zou graag veel meer willen weten over de relatie kunsthandelaar en klant in die jaren, en de meningen die zijn clientèle losliet op de toen nog onwennige schilderijen waar Rosenberg hen mee confronteerde.

Zijn kleindochter heeft een geslaagde poging gedaan zijn leven en werk te ontrafelen. De oorlog trekt in elk hoofdstuk onvermijdelijk diepe sporen. Meer chronologie had het boek goed gedaan, evenals een tuchtige eindredacteur. Die had het Vlaams wat kunnen terugdringen en vooral de vaak terugkerende naam Mitterrand juist kunnen spellen. Al met al zijn het bijzaken in dit innemende, en historisch gezien intrigerende boek.

    • Marianne Vermeijden