De liefde voor vis heeft mijn leven gered

Henry van Diermen was succesvol beurshandelaar. Door een gokverslaving verloor hij alles. Nu staat hij op de markt met zijn vishandel.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, NRC Next, Henry de Visboer, Zin, Mens&

Het gezicht van Henry van Diermen (38) licht op als hij praat over vis. Over zijn vis. „Ik kan van al mijn vis zeggen van welke boot hij komt, op welke manier hij is gevangen en zelfs welke visser het was. Dat is is liefde.” Hij glimlacht. „Geen snelle handel.”

Aan de muur van zijn appartement in Amsterdam hangt, tussen foto’s van zijn twee kinderen, een lijst met daarin drie munten. Eén voor elk jaar dat hij clean is. Een gokverslaving heeft hem bijna alles gekost. Als succesvol beurshandelaar werkte hij zich diep in de schulden om zijn verslaving te voeden, zonder dat zijn omgeving er iets van wist – tot alles instortte. Hij is van ver gekomen.

Vis zit hem in het bloed. Hij komt uit een vissersdorp, Spakenburg. Zijn opa was visser, op zo’n ouderwetse botter op het IJsselmeer. Zijn vader werkt in de vis, zijn ooms. Zelf wilde hij er niets van weten. Ja, hij fileerde haring als studentenbijbaan en kluste bij in de rokerij van zijn oom – daar hield het al snel op. Hij koos voor een ander leven. De snelle handel lonkte. Tot hij alles verloor en opnieuw begon. Begin dit jaar zette hij zijn duurzame visgroothandel Vis van Henry op. Daarmee staat hij, met zijn vriendin, op drie biomarkten in en rond Amsterdam. Dit is wat Henry van het leven weet – tot nu toe.

„Je moet doen wat je wilt doen. Ik heb mijn hele leven keuzes gemaakt die ik eigenlijk niet wilde maken. Alles ging om de buitenkant. Ik was altijd heel goed in wat ik deed. Daar kickte ik op. Alleen maar scoren, scoren, scoren. Als ik maar ogenschijnlijk succesvol was. Ik werd beurshandelaar bij een groot Amerikaans bedrijf. Met een fantastisch salaris, en ik deed het goed, dus riante bonussen. Koren op mijn molen. Ik stond weer bovenaan in de pikorde. Henry de Geweldige. Maar het was nooit genoeg. Ik deed het niet omdat ik er voldoening uithaalde. Mijn drijfveer was alleen: méér, meer geld verdienen om mijn escalerende levenspatroon in stand te houden.”

„Het middel is onbelangrijk voor een verslaafde. Als je ze op een rij zet – of het nu alcohol, drugs of gokken is – elke verslaving komt neer op het wegduiken voor gevoelens. Ik kan mijn leven nu herleiden: alles wat ik deed, was vluchtgedrag. Ik kom uit Spakenburg. Als je er daar uitspringt, iets anders doet, dan wordt dat raar gevonden. Het draait om de schijn voor de buitenwereld. Die moet intact blijven, het buitenkantje in orde. Hard werken, geen tijd voor emoties. Ik ontwikkelde een houding van: als ik vertel wat ik doe dan vinden ze het raar, dus vertel ik niets meer. Ik raakte gokverslaafd op mijn zeventiende. Dat ervoer ik toen niet zo. Ik verdiende al goed, had baantjes – en ik ging naar het casino. Het werd een onderdeel van mijn leven. Naargelang ik meer ging verdienen, ging ik meer gokken.”

„De buitenkant is niet genoeg. Van buiten was er niets aan de hand: ik was dertig, getrouwd, twee kinderen, een eigen huis in Spakenburg. Ik was ongelukkig. Ik had eigenlijk uit Spakenburg weggewild: ik kon er mezelf niet zijn. Maar daarover praten kon ik niet, daarvoor had ik niet genoeg ruggegraat. Ik begon mezelf te verdoven, ik dronk veel. Intussen begon ik in 2007 met een partner een bedrijf in vermogensbeheer, en die liep goed. Mijn verslaving werd heftiger. Een tegenstelling: ondanks de financiële crisis floreerde het bedrijf, terwijl ikzelf langzaam instortte. Achter dat buitenkantje werd mijn leven steeds chaotischer. Ik begon geld tekort te komen, moest lenen. Omdat mijn bedrijf gesmeerd liep, waren de banken scheutig. Ik werkte me diep in de schulden. Ik raakte steeds meer gestrest. Ik kon niet stilzitten, had altijd onrust. Ik kreeg angst voor het leven. Opeens durfde ik niet meer te vliegen, ik was bang voor de dood. Daar dacht ik vaak aan: als ik nu doodga, wat voor ellende laat ik dan achter?”

„Alle verslaafden zijn manipulators. Ik was heer en meester van het dubbelleven. Later hebben mensen ook aan me gevraagd: hoe kun jij nou ooit verslaafd zijn geweest? Mijn inmiddels ex-vrouw heeft het ook nooit geweten. Het probleem wás juist dat alles in stand bleef. Ik zag mezelf ook niet als verslaafd. Een verslaafde, dat was iemand die op Hoog Catharijne halve liters ligt te drinken met een spuit in zijn arm. Niet ik, ik had alles. Ik dacht dat ik functioneerde. En mijn omgeving dacht dat ook.”

„Op enig moment stort alles in. In 2010, opeens. Ik kon er niet meer tegen. Ik ben gevlucht, letterlijk. Ik eindigde in Barcelona. Mijn vrouw stuurde ik een e-mail en een sms, en ik gooide mijn telefoon uit. Ik had niets bij me, misschien 150 euro en een paspoort. Ik sliep in een hostel. Ik ga wel in de horeca werken, dacht ik, en al het geld wat ik verdien, stuur ik op naar Nederland. Zo denk je dan. Ik had alles in mijn leven kapotgemaakt. En toen werd ik overvallen. ’s Nachts, door vijf gasten. Ik dacht maar één ding: mijn geld en paspoort krijgen jullie niet, dan kom ik nooit meer terug. Ik begon terug te vechten. Toen ik uiteindelijk wist te ontkomen, zat ik onder het bloed. Ik zat in het ziekenhuis te wachten toen daar iemand werd binnengereden op een brancard, strak van de drugs. Afschuwelijk, dacht ik, wat een junks. En op dat moment komt het keihard bij me binnen: ik ben net zo. Kijk nou hoe je erbij zit? Je moet hier iets aan doen.”

„Je bent zelf verantwoordelijk voor je keuzes. Niemand anders. Ik heb hard geknokt om een verslavingskliniek in te komen – maar voor het eerst knokte ik voor iets wat ik ook echt wilde. Ik schreef een brief van zes kantjes naar de directeur. Daarin gaf ik alles en iedereen de schuld, behalve mezelf. Als ik die brief nu had geschreven, had die er heel anders uitgezien. Je moet de schuld niet bij anderen leggen, alleen bij jezelf.”

„Durf te voelen. Ik kan iedereen onder ogen komen. Ik ben clean en hoef nergens bang meer voor te zijn. Daardoor heb ik eindelijk rust. Ik ben een geduldige vader geworden. Als mijn kinderen hier zijn, dan ben ik ook écht bij ze – in plaats van met mijn hoofd bij schulden. Dat merken zij ook. En ik ontmoette mijn vriendin, met haar woon ik samen. Sommige mensen zijn wantrouwend. Vooral in Spakenburg. Ik woon in Amsterdam, in hun ogen toch een beetje het Sodom en Gomorra van Nederland. Maar ik ben erbovenop gekomen. Ik heb de moeilijke weg genomen. De schuldsanering wilde ik niet in, mijn schuldeisers wilde ik zelf terugbetalen. Ik heb overal gesolliciteerd: bij de McDonald’s, de horeca van Schiphol – maar ze kijken je aan alsof je gestoord bent: je was directeur van een vermogensbeheerder en nu kom je hier? Ik wilde mijn talenten weer gebruiken, maar kon nergens terecht. Dus ben ik toch een eigen bedrijf begonnen. Dat is het mooiste wat me ooit is overkomen. Ik begon met niets, ging op de fiets met een kratje vis bij lunchrooms van deur tot deur. Gewoon een stukje afsnijden. Ze proeven en kijken je in de ogen, en zien: dit klopt.”

„Het gaat om vandaag. Ik ben weleens geneigd terug te kijken naar het verleden, maar daar gaat het niet om. En óók niet over een jaar. Natuurlijk heb ik ambities, ik moet opletten dat ik niet doordraaf. Niet terugvallen in oud gedrag. Als ik op de markt sta met mijn vriendin, een fantastische kraam en de mooiste vis, dan ben ik trots – dat is gewoon kunst. Via de vis neem ik afscheid van het verleden. Eerlijke vis en eerlijk leven. Dit is zoveel mooier dan alles wat ik in het verleden heb gedaan. Ik sta hier wel helemaal achter en het is allemaal echt.”

    • Thomas Rueb