De laatste improvisatie

De laatste Bernlef verschijnt postuum, als de memoires van Henk Materman. Diens autobiografie mislukt, er komt een veel mooier boek voor in de plaats.

‘Is het af?’ vroeg een collega over Onbewaakt ogenblik, de deze week postuum verschenen roman van Bernlef. Geen vreemde vraag in een tijd waarin veel uitgevers zich haasten om na de dood van een auteur nog een laatste boek uit de nalatenschap te winnen. Die boeken zijn lang niet altijd af en ook lang niet altijd goed. ‘De postume Bernlef’ verschijnt vijf weken na de dood van de schrijver op 29 oktober.

Het eenvoudige antwoord op de vraag is ja, sterker: misschien is in het schrijverschap van Bernlef, pseudoniem van Henk Marsman, nooit een boek verschenen dat méér af was. Tegelijkertijd is Onbewaakt ogenblik juist helemaal niet af – het draait in de roman om het onvoltooide, een boek dat niet af komt, niet af kán komen.

Dat boek zijn de memoires van schrijver Henk Materman, vijftig jaar in het vak, zoals zijn schepper. Volgens zijn uitgever (type ‘vanuit de traditie van dit huis verder werken aan de vergroting van het marktaandeel’) is dat de ideale leeftijd voor de publicatie van een autobiografie. Een daverend slotakkoord moet het worden. En geen zorgen om de research; daar huren we iemand voor in.

Het doet Materman terugdenken aan zijn eerste uitgever Abe Koornstra – in wie trekken van oud-Queridobaas Reinold Kuipers te vinden zijn. ‘Dit is toch puur autobiografisch, niet?’ had die gevraagd na het lezen van het manuscript van Matermans eerste roman, ‘en hij tikt met zijn vinger tegen het stapeltje A4’tjes voor zich op zijn bureau.’ Het boek wordt niet uitgegeven, de schrijver wordt aangespoord zijn fantasie te gebruiken.

Zo’n speels commentaar op de veranderingen in de boekenwereld verwacht je eigenlijk niet in een roman van Bernlef, evenmin als de zelfspot van een zinnetje als ‘Joeg ik geen hersenschim na?’ over de moeilijkheid van herinnering.

Zo zitten we in Onbewaakt ogenblik meteen in de werking van het geheugen – en in het hart van Bernlefs thematiek. Intussen ontwikkelt het boek zich onder het dunne laagje fictie van het personage Henk Materman (net als Bernlef van 14 januari 1937) zich daadwerkelijk tot een poging tot memoires. Eerst aftastend met een beschouwing over Een stamboek, de autobiografische roman van Patrick Modiano. Meteen gevolgd door een ‘variant’, een tweede stuk over hetzelfde boek. Alsof Bernlef even heel expliciet duidelijk wil maken hoe je essayistisch schrijft: vragend, zoekend en tastend.

Daarna begint het herinneren. Over het huis van zijn grootouders in Haarlem en over hoe die hem ooit uitlegde dat de sterren die je aan de hemel zag feitelijk de sterren uit een ver verleden waren – omdat hun licht er zo lang over doet om ons te bereiken. Over de vriendjes die hij had in Haarlem en Amsterdam en zijn liefde voor voetbal, die overigens niet gepaard ging met veel talent of een goede uitrusting: ‘Ik moest het doen met een paar afgedankte halfhoge rijglaarzen van mijn vader, waarvan ik de neuzen met proppen krantenpapier opvulde, wat mij op de bijnaam Karel Knal kwam te staan, de hoofdpersoon uit een toen populair jongensboek.’ Meer aanleg blijkt hij te hebben voor hardlopen; hij komt tot 10,9 op de 100 meter. ‘Zo nauwkeurig heb ik mij later nooit meer gevoeld, zo helder en duidelijk, zo zonder een spoor van twijfel.’

Even cruciaal als de scène met de sterrenhemel is de kennismaking met jazzmuziek, in het huis van de neef van een vriendje. Daar blijkt dat pianospelen niet per se spelen van blad hoeft te zijn, maar dat je ook kunt improviseren. Dat de adolescent op dezelfde avond voor het eerst de blote borsten van een (zogende) vrouw ziet, maakt de initiatie alleen maar intenser.

Zo begint Onbewaakt ogenblik verdacht veel op een reguliere autobiografie te lijken, een boek met mooie herinneringen aan een kindertijd, soms een tikje voorspelbaar in zijn weergave van gedachten, geuren en meisjes. Maar lang houdt Bernlef dit memoiresschrijven ‘volgens het boekje’ niet vol. Hij schrijft hoe de uitgever informeert naar hoe het gaat met het boek, dat iedereen enorm uitkijkt naar zijn verhalen over zijn contacten met beroemde dichters – waarna een korte brave uiteenzetting volgt over waarom die ontmoetingen (Brodsky, Konrád, Gustafsson, Borges, Beckett) geen van allen de moeite van het memoreren waard zijn.

Dat die dichters langs dat omweggetje toch in deze pseudomemoires belanden, is tekenend voor Onbewaakt ogenblik – want Bernlef heeft zijn held na een pagina of honderd al laten vastlopen. Het laatste deel van de roman dient om te laten zien waarom het niet lukt, die autobiografie. Dat realiseert Materman zich na een ontmoeting met een componist, die bij een beroerte een hersenbeschadiging heeft opgelopen. De man kan nog wel pianospelen, dat wil zeggen toetsen achter elkaar indrukken, maar hij hoort de samenhang niet langer. Zijn muziek is niet om aan te horen – bij gebrek aan mogelijkheid om te improviseren of te variëren. De componist zegt: ‘Herinneringen houden zich schuil. Laat ze daar. Zo gauw je ze ophaalt, gaan zij net als vissen op het droge dood.’

Voor Materman is het voldoende aansporing om het boek verder te laten rusten. Dan maar geen daverend slotakkoord. Zijn uitgever blijft zitten met een onaf boek. En in strikt formele zin geldt dat ook voor de lezer: want die komt niets te weten over de wederwaardigheden van de schrijver (of zijn alter ego) na diens kindertijd, over de jaren bij Barbarber, de ontstaansgeschiedenis van Hersenschimmen of de research voor Publiek geheim.

Dat is best jammer, maar Onbewaakt ogenblik is uiteindelijk iets mooiers geworden, een boek waarin Bernlef niet vertelt wat hij heeft meegemaakt, maar de kern van zijn schrijverschap toont – of eigenlijk: laat horen. Want dit boek is een lange improvisatie. Het grondakkoord is de onkenbaarheid van de herinnering, waar de jazzschrijver Bernlef tweehonderd pagina’s lang virtuoos om heen speelt. Hij varieert, wisselt van perspectief en springt in de tijd – dan raakt hij weer even aan het thema en improviseert verder. Van de gedachten aan de ouderdom van de sterren en de lezing van Modiano tot de clichématigheid van de eerste gedachten aan een meisje. Van de samenhang tussen de hersenen en de geest – en van de ijdelheid, want ondanks alles is hier toch maar mooi vastgelegd welke beroemde vakgenoten Bernlef ontmoette.

Dat Bernlef zijn oeuvre afsluit met een improvisatie kan geen toeval zijn; je zou haast denken dat hij Onbewaakt ogenblik al jaren klaar had liggen, voor het geval dat. Hoe dan ook is het de ultieme toegift bij een oeuvre waarin Bernlef steeds weer het vluchtige heeft nagejaagd, even aan te raken en dan snel weer los te laten. Want als je het vastpakt, sterft het. Daarom is Onbewaakt ogenblik ook zo af in zijn onafheid. Geen daverend slotakkoord, maar een schitterende laatste improvisatie, gespeeld nadat de artiest het gebouw al had verlaten.