Dans tango's van armoede

Op een onherbergzame plaats die ‘de kolonie’ wordt genoemd en aan het leegraken is, wachten de achtergeblevenen op betere tijden. Hun hoop is gevestigd op een man met de naam Irimiás. Hij is al gesignaleerd en hij verkeert in gezelschap van Petrina, zijn trouwe makker. Jeremiah en Petrus dus, een illuster gezelschap, maar de lezer hoeft andere associaties ook niet uit te sluiten.

De dorpelingen – kolonisten kunnen ze door een gebrek aan initiatief niet worden genoemd – hebben slechts een achternaam: Futaki, Schmidt, Kráner, Halics of ‘de dokter’. Alleen het meisje Estike en Sanyi Horgas, de enige die ze durft te vertrouwen – en die haar ondergang bewerkstelligt –, hebben namen die kunnen worden geliefkoosd.

In afwachting van iets onbenoembaars leiden deze mensen hun leven van armoe en leegte: ze zuipen, ze bespieden en bedriegen elkaar. Alle haat, nijd en wantrouwen ten spijt koesteren ze het verlangen naar een onbestemd, maar beter leven.

Met Satanstango schreef László Krasznahorkai (Hongarije, 1954) een hoogst verontrustende debuutroman. Dat was het boek ook al bij zijn oorspronkelijke verschijning in Hongarije in 1985. Het waren de nadagen van het Kádár-tijdperk, waarvan niemand vermoedde dat er ooit een einde aan zou komen. In de cultuurpolitiek gold de heilige drie-eenheid van ‘gesubsidieerd’, ‘getolereerd’ en ‘verboden’. En de schrijvers die de taboeonderwerpen – het éénpartijsysteem, de tijdelijk in Hongarije gestationeerde Sovjettroepen en de armoede – te dicht naderden, konden maatregelen verwachten. Daarom waren de onderwerpen van de naoorlogse Hongaarse literatuur vaak metaforisch, zoals de moeilijkheid van het vertellen – of men in staat is ervaringen over te brengen – bij Géza Ottlik (School aan de grens) en bij Imre Kertész (Onbepaald door het lot). Of ze waren ongrijpbaar speels, zoals de postmodernistische, multi-interpretabele teksten van Péter Esterházy.

Academici

Tussen ‘getolereerd’ en ‘verboden’ balanceerde bijvoorbeeld de Vereniging ter Ondersteuning der Armen SZETA, een klein groepje sociologen die het niet alleen was opgevallen dat diepe en uitzichtloze armoede wel degelijk in de socialistische heilstaat bestond, maar die er ook iets tegen wilden ondernemen. Ze werden afgeluisterd, gehinderd, gecriminaliseerd. Onder deze omstandigheden is het haast een wonder dat Satanstango mocht verschijnen en ook nog lovende kritieken ontving. De realia, zoals de pálinka (sterke drank), het nadrukkelijke klokkengebeier van 12 uur en de Donau, plaatsen de handeling – voor zover daar sprake van is – onmiskenbaar in Hongarije, en tegelijk is de plaats universeel.

De machteloosheid van de armoede en de meedogenloze uitbuiting van de weerlozen is van alle tijden, maar niemand die hun onvermogen tot articulatie met zoveel schoonheid in nauwkeurig gecomponeerde zinnen kan vatten zoals Krasznahorkai. Hij werkt met een wisselend perspectief: soms bezien we de wereld vanuit een van de helden, soms stijgt een alles wetende verteller boven iedereen uit, tot het hoogtepunt, de toespraak van beroepsbedrieger Irimiás. Als een volleerd politicus hanteert hij een heel instrumentarium voor manipulatie: hij toont medegevoel, geeft de mensen de collectieve schuld, doet de hoop weer opleven, deelt geheimen mee – en hij wordt gevreesd en aanbeden.

Vervolgens keren we terug, zowat op het beginpunt. Als een spinnenweb wordt het verhaal geweven, en aan het einde begint alles opnieuw, wanneer blijkt dat we al die tijd de dagboekaantekeningen van de dokter hebben zitten lezen: ‘Voorzichtig, om het papier niet open te halen, begon hij te schrijven: Op een ochtend tegen eind oktober, vlak voordat de eerste druppels van de onbarmhartig lange herfstregens…’

De titel Satanstango geeft aan hoe de roman nog meer gelezen kan worden dan opnieuw vanaf het begin: op het asymmetrische, langzame ritme van de tango – voor het woord ‘inhoud’ staat in het Hongaars oorspronkelijk zoiets als ‘balboekje’ of ‘orde der dansen’ – wordt men met diabolisch dwingende passen opnieuw door het verhaal geleid: zes naar voren, zes naar achteren, keren, enzovoort.

Meditatie

Krasznahorkai is een Einzelgänger in de Hongaarse letteren. Zijn eerste werken blijven bij datgene wat zijn kindertijd tekende: armoede. Op de achterflap vertelt hij er zelf over: ‘Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben.’ Later verbreedt hij zijn vizier, reist door de wereld, met name veelvuldig door China en Japan, waar hij zich onderdompelt in de oosterse filosofie. Nog sterker dan voorheen, krijgt zijn werk diepte en gelaagdheid door meditatie.

De zeer uitgebreide volzinnen van Krasznahorkai zijn door regisseur en vriend Béla Tarr in 1994 op niet minder dwingende manier in beelden vertaald. De zeveneneenhalf uur durende zwart-wit cultfilm met takes van soms wel een kwartier over koeien in de modder en onophoudelijke regen, werkt ook dankzij de overtuigingskracht van de amateurspelers die om dronkenschap uit te beelden werkelijk ladderzat worden. Hoewel het in Groot-Brittannië bijna tot een verbod kwam vanwege een scène met Estike en de kat (volgens dierenactivisten was het dierenmishandeling), staat Sátántangó in de top-50 van beste films ooit van het British Film Institute.

    • Györgyi Dandoy