Caleidoscopische rouw om Dokie

Arend Jan en Dokie in 1945 in Roosendaal Foto uit familiearchief A.J. Heerma van Voss

Op donderdag 10 maart 1968 trouwde prinses Beatrix met Claus. Iedereen in Amsterdam maakte zich druk over die trouwpartij met een Duitser. In de Raadhuisstraat werd een rookbom naar de Gouden Koets gegooid.

Tot de 24-jarige rechtenstudent Arend Jan Heerma van Voss drong dit straatrumoer niet echt door. Hij was verzonken in jeugdherinneringen, die hem al langere tijd hinderlijk achtervolgden, tot depressie en overspanning aan toe. De ongeregeldheden in Amsterdam boeiden hem niet. ‘Alle ongeregeldheden zijn binnenskamers’, noteerde hij nogal droog in zijn dagboek, op de zevende verdieping van een studentenflat. Deze zin vinden we terug in Dokie. Een familiebericht. Daarin kijkt de intussen veel ouder geworden Heerma van Voss terug op alle gebeurtenissen rondom de vroege dood van zijn zusje Dokie. Zij verongelukte in september 1945, op zevenjarige leeftijd, na een botsing met een motor, pal voor het ouderlijk huis in Roosendaal.

Ruim twintig jaar na het verkeersongeluk deed hij een eerste serieuze poging om alsnog met haar dood in het reine te komen. Hij had een serie gesprekken achter de rug met een psychiater en schreef er uitgebreid over in zijn dagboek. Hij was niet alleen verdrietig, maar ook boos. ‘Ik heb kritiek op je’, schreef hij. ‘Ik ben de kleinste. Ik heb nooit kritiek op je mogen hebben, daar waren we nog niet aan toe. [...] En toen vertrok je. [...] Jij was dood. Ik heb nooit meer iets van je gehoord.’

Hier vereenzelvigt de 24-jarige Arend Jan zich met de kleine jongen die hij ooit was. Hij was drie toen zijn zusje uit zijn leven werd weggerukt. Omdat er thuis werd gezwegen over pijnlijke dingen, kon hij haar dood nooit verwerken. Ook de jaarlijkse rituele gang van moeder en zoon naar het Roosendaalse kerkhof hielp daar niet bij. Hij stond er altijd voor spek en bonen bij, want moeder Heerma van Voss was degene die iemand had verloren – hij niet. ‘Maak nooit de beginnersfout, je in een bij voorbaat verloren rouwwedstrijd te storten.’

Stempel

Vanaf het begin is duidelijk wat de intentie is van dit boek. Hier wordt alsnog en vol overgave getreurd om een zusje dat hij amper heeft gekend, maar dat wel een zwaar stempel op zijn leven drukte. In wat hij zijn ‘retroreportage’ noemt, loopt hij de noodlottige gebeurtenis en de gevolgen ervan nog eens uitgebreid na.

Hoe kwam zij precies aan haar einde? En wie viel dat te verwijten? Haarzelf? De onervaren motorrijder? Het buurmeisje dat iets tegen haar riep toen zij aan het oversteken was? De ouders die haar zonder toezicht naar buiten lieten gaan, terwijl ’s ochtends al haar hondje was overreden?

Het gaat Heerma van Voss niet om het beantwoorden van de schuldvraag. Zoals het hem ook niet te doen is om een heldere, chronologische weergave van een familiegeschiedenis. Hij putte voor zijn reportage over Dokie uit diverse en nogal ongelijksoortige bronnen: krantenartikelen, rouwadvertenties, politieverslagen, ansichten, overgeleverde familieanekdotes, gesprekken, dagboeken, e-mails en door hemzelf gepubliceerde stukjes in Propria Cures.

De grote gevoelsuitstortingen vinden we terug in de dagboekaantekeningen (‘We hadden een grote communicatie, weet je nog wel?’), maar veel schrijnender zijn de zakelijke teksten. Het dagrapport van de politie, opgemaakt op de dag van het ongeluk, getuigt van veel ambtelijke precisie. Daarin is sprake van ‘een twee-wielig motorvoertuig’ tegen het stuur waarvan ‘het slachtoffer’ ‘te 18.10’ is aangelopen. ‘Het lijkje is in beslag genomen’, staat er dan, ‘en ten huize van de ouders in een kinderkamer gesloten, ter beschikking van de justitie.’

Heerma van Voss loodst ons kriskras en hapsnap door zijn leven. We zien hier een flits van zijn puberteit in Bentveld, daar een glimp van zijn voorzitter- en vaderschap in Amsterdam. We zien hem spelen met de door zijn vader geknutselde knikkerbaan-met-stadion en met een complete nagebouwde stad. We zien hem hitparades bijhouden en voetbalfeiten verzamelen. We zien hem ook even voetballen – tegen een onbegrijpelijk goede linksbuiten die later Piet Keizer blijkt te heten. En op bezoek gaan bij familie en vrienden om meer te weten te komen over zijn zusje.

Weetjes

Dokie moet het niet hebben van zijn subtiele samenhang of van zijn briljante stijl, zoals Gesloten huis van Nicolaas Matsier, gewijd aan een overleden broertje, de zevenjarige Jan. Dokie moet het hebben van zijn zijdelingse verbanden en zijn diversiteit: interessante weetjes, grappige terzijdes, ontroerende details, fijne familieverhalen – onder meer over overgrootvader Heerma van Voss, een rijke suikerbaron, die de eerste vliegtocht in Nederland organiseerde, in 1909. Er kwamen tienduizenden bezoekers op af, met de paardentram uit Breda.

Het mooist en verbijsterendst zijn wel de ongerijmdheden in dit boek. Over Dokie werd thuis hardnekkig gezwegen. Vader Heerma van Voss hervatte een half jaar na de dood van zijn dochtertje zijn werk als verkeersdeskundige, met veel plezier. Hij maakte in opdracht foto’s van verkeersongelukken, voor in het politiearchief.

En hij gaf verkeerslessen aan scholieren en andere belangstellenden – waarbij hij met veel komische details en verhelderende licht- en filmbeelden wist te vertellen over de vele gevaren die vooral onoplettende voetgangers bedreigen.

Moeder Heerma van Voss bereed, als enige vrouw in de wijde omtrek, een Harley Davidson. Zij dacht daarbij, naar het schijnt, nooit terug aan de motorrijder die op 26 september 1945 een eind maakte aan het leven van haar kleine Dokie.

    • Janet Luis