Allemaal een 'fokking' slaatje slaan uit 'gangsta rap'

Saul van Stapele: Witte Panters. Lebowski, 221 blz. € 18,- ***

Dol van vreugde is muziekproducer De Don als de jonge rapper J.J. kort na de ondertekening van een platencontract de gevangenis ingaat. De opgenomen rap duurt helaas slechts een halve minuut, maar dat moet genoeg zijn voor een megahit nu de gangsta rapper echt achter de tralies zit. Want, zegt De Don, ‘niemand geeft een fok om muziek. Het gaat om het verhaal.’ Alles draait om ‘het verhaal’ in Witte Panters, de vrolijk-cynische debuutroman van muziekjournalist Saul van Stapele vol hiphopmuziek, straatcriminaliteit en mediahypes. Deze ingrediënten voeden van tijd tot tijd maatschappelijke discussies over de vraag of hiphopartiesten met hun videoclips vol wapens en halfnaakte vrouwen de straatjeugd opvoeden met geweld en seksisme, dan wel dat ze met hun rapteksten een rauwrealistisch beeld geven van het leven op straat. Van Stapele maakt er een smakelijke cocktail van door toevoeging van romanpersonages die allemaal een slaatje proberen te slaan uit de gangsta rap met hun eigen verwrongen verhaal.

Burgermanszoontje Jan Jaap (straatnaam J.J.) en arbeidersjongen John zijn twee witte tieners die zich aansluiten bij een groep zwarte hangjongeren. Na een moeizame initiatie rollen ze in een leventje van wietroken, raps luisteren, roven en vooral hardop dagdromen over een toekomst als geslaagde hiphopartiest. Als J.J. door een stommiteit zijn status op straat verspeelt, verzint hij een spectaculair plan om zijn naam als gangster definitief te vestigen. Vervolgens gaan anderen, zoals de geldbeluste muziekproducer, met zijn verhaal aan de haal. Een journalist blaast zijn uitgebluste loopbaan leven in met een tranentrekkend artikel over hoe een nette jongen op het verkeerde pad raakt, want ‘met blanken verkoop je kranten’. Een politicus ondergaat een gedaanteverwisseling van ‘held tussen de multomappen’ tot een krijgsheer in de oorlog tegen de straatbendes. En ook John eist zijn rol op in het verhaal van J.J., met fatale gevolgen.

Van Stapele beschrijft het met veel tempo en rake observaties. Over het keurige D66-wijkje waar J.J. vandaan komt: ‘Er is niet veel dood in Duinkant. Maar God, die is dood hoor.’ Of over het tamelijk risicoloze knippen van wietplanten: ‘Het was de jongens-van-de-straat-variant van fietsen zonder licht.’ De vaart en formuleringen maken Witte Panters tot een vermakelijke zedenroman.

De sterkste delen zijn die waar Van Stapele de grootspraak van zijn personages ontmaskert. De beschrijving hoe de journalist bangig babbelt met verveelde jongens wordt afgewisseld met passages uit zijn artikel over zijn tocht naar de hel. De straatboefjes scheppen voortdurend op hoe graag ze weer eens naar de gevangenis zouden gaan, maar ‘John kende niemand die na een inbraak een brief achterliet met naam en adresgegevens.’

Het spel van schijn en werkelijkheid bouwt Van Stapele thematisch uit met verwijzingen naar films (Scarface) en muziek (2Pac) waarmee de mythen van de gangsta rap zijn geschreven. Stilistisch doet hij dat met straattaal die grotendeels is geïnspireerd op dezelfde films en muziek. Hij prikt de praatjes van de straatjongens door met dialogen vol verhaspelde lidwoorden en het woord ‘respect’ dat ‘wordt rondgepompt als chloor in een zwembad.’

Tegelijkertijd geeft Van Stapele met dat taaltje de dialogen energie, zoals wanneer een gangleider tegen een mishandelde jongen zegt: ‘Je ziet eruit alsof je groepsseks hebt gehad met een stelletje leeuwinnen ofzo, shit.’

Helaas schiet Van Stapele af en toe door in zijn beeldspraak. Zo zijn er wel meer beginnersfoutjes. De beschrijvingen van het Montessori-milieu en de welzijnswerkers zijn nogal clichématig. Ook hebben de bijfiguren weinig kleur. En het vertelperspectief van de alwetende verteller wordt inconsequent gehanteerd.

Het grootste technische manco schuilt in de compositie. Om het verhaal snel op gang te brengen begint Van Stapele midden in de grote actie van J.J., maar daardoor moet hij diens breuk met zijn ouderlijk milieu en de straat te snel en te vlak samenvatten. Ook wordt erg laat duidelijk dat de criminelen wel degelijk gevaarlijk zijn en dat de inzet van het verhaal hoger is dan lijkt.

Die gebreken worden ruimschoots vergoed door de humoristische scènes en de zinvolle inkijkjes in de wereld van de gangsta rap, die bijvoorbeeld laat zien dat het voor burgerjongens van deze tijd niet makkelijk is om uit te groeien tot een echte man. Zoals J.J. het zegt: ‘Je kunt in Duinkant alles worden wat je fokking wil […], behalve iemand die in zijn eigen stad met opgeheven hoofd over straat kan.’

    • Karel Berkhout