Agent

Toen ik in 1982 in New York was, in verband met een grote Wodehouse-manifestatie in the Pierpont Morgan Library, waar ik tekeningen voor had geleverd, vatte ik het plan op om nu eindelijk iets aan mijn internationale carrière te gaan doen. Iemand had mij het adres en telefoonnummer van de agent van Jo Spier gegeven.

Ik had hem gebeld en hij bleek bereid mij te ontvangen. De agent van Jo Spier! Misschien wilde die ook wel mijn agent worden! Misschien ging ik door hem wel doorbreken in Amerika! De afspraak was in de ochtend om elf uur. Hij woonde tegenover het Central Park. Ik belde aan bij het opgegeven adres en werd ontvangen door een vriendelijke man.

Zo, dus u bent tekenaar, net als uw landgenoot Jo Spier. Laat u maar eens zien. Ik overhandigde hem mijn boekje met cartoons, Moeder ik ben niet gelukkig geheten. Hij bekeek de cartoons met aandacht, maar ging al gauw met zijn hoofd schudden. Hoewel hij de Nederlandse onderschriften niet kon lezen, wist hij toch meteen wat voor vlees hij in de kuip had. „Dit soort droevige grappen doen het niet hier in Amerika”, was zijn bescheid en hij gaf me mijn werkje terug.

Ach ja, Jo Spier, mijmerde hij hardop. Zon aardige man. „Such a dear, dear person. ... I should give him a call, one of these days...”

„He is dead!” riep ik bot, verbijsterd dat hij dat niet wist. Hij schrok. Dood? Ach nee, toch! Hoe oud was hij dan geworden? 78? Ach, veel te jong. Hij begeleidde mij naar de deur en daar namen we afscheid, beiden sadder and wiser.