‘Wij zijn bij herhaling onthoofd!’

Het Tokyo String Quartet neemt afscheid. De laatste Japanse leden willen na veertig jaar met pensioen. „Ons kwartet heeft nooit bestaan uit haantjes.”

Martin Beaver (links), Kazuhide Isomura, Kikuei Ikeda, Clive Greensmith. Foto Marco Borggreve

De beste strijkkwartetten zijn meer dan een optelsom van vier musici. Het Tokyo String Quartet, dat nu met een aantal tournees afscheid neemt, is het bewijs. Van de vier Japanners die in 1969 het kwartet vormden, is er nog maar één over: altviolist Kazuhide Isomura. En toch, ondanks alle wisselingen die hebben plaatsgevonden is altijd sprake geweest van een continuïteit in stijl en karakter.

Dit wordt beaamd door de Britse cellist Clive Greensmith, lid sinds 1999. „Er was altijd een sterk gevoel van eenheid”, zegt hij vanuit een hotel in Brugge. „En een vorm van bescheidenheid die ik als Japans zou omschrijven. Het ego wordt onderworpen aan de groep, ons kwartet heeft nooit bestaan uit haantjes. Amerikaanse kwartetten bijvoorbeeld zijn over het algemeen uitgesprokener en competitiever, de individuele stem wordt daar meer gecultiveerd. Bij ons wordt de klank nooit te scherp. Een recensent merkte op dat we klinken als een echt oud kwartet, wat ik opvat als een compliment.”

Feitelijk is ook het Tokyo String Quartet – ten dele – Amerikaans. De vier Japanse leden kwamen in 1969 naar New York om zich door het toen al beroemde Juilliard Quartet te laten coachen. Het land bleef de uitvalbasis, een residency aan Yale volgde. Na jaren van stabiliteit begon een steeds snellere stoelendans. Peter Oundjian werd in 1981 de nieuwe primarius, maar moest in 1996 afscheid nemen: na RSI-klachten verlegde hij zijn carrière van de viool naar directie. Toen volgde de Rus Mikhail Kopelman. Deze primarius van het Borodin Kwartet was na de val van de Sovjet-Unie de antisemitische sentimenten van het nieuwe Rusland ontvlucht, en bleef zes jaar. In 2002 volgde Martin Beaver Kopelman op – weer een nieuwe primarius. Hij kon zich niet goed bij het kwartet „uitdrukken.”

Greensmith haalt de omschrijving van een collega aan: vertrekt een kwartetspeler, dan voelt het of een ledemaat wordt geamputeerd. Maar vertrekt de eerste violist, dan is het of je je hoofd verliest. „Wij zijn bij herhaling onthoofd!”

Het kwartet overleefde de tegenslagen. Goed luisteren is het devies, samenspel wordt daarmee veel sneller geperfectioneerd dan via oogcontact. Zoals altviolist Isomura ooit opmerkte: „We proberen de muziek samen te voelen. Als je jonge kwartetten ziet repeteren, merk je vaak hoe één persoon de rest wil overhalen met eigen logica. Zoveel tijd wordt dan verspild.”

Wat de continuïteit ook helpt is het ‘Paganini kwartet’, een set van vier Stradivarius-instrumenten dat aan het Tokyo Quartet, en niet aan de individuele musici, is geschonken. Al spelen de leden niet alles meer op deze instrumenten, ze mogen ze na de kwartetontbinding immers niet houden.

Wie naar de discografie van het kwartet luistert, hoort ondanks alle wissels inderdaad een consistent ensemble. Het Tokyo Quartet heeft een intieme, soms zelfs broze klank waarmee niettemin scherp gefraseerd kan worden. Balans is het toverwoord, wat sommige critici overigens als té beleefd ervaren.

Zelfs de kwartetten van Bartók, waarin het kwartet zich specialiseerde en die op de afscheidsprogramma’s niet ontbreken, klinken eerder mild dan overdreven ruw folkloristisch.

Het definitieve afscheid bleek ditmaal onvermijdelijk. „Kazuhide Isomura en Kikuei Ikeda spelen al ruim veertig jaar mee”, zegt de cellist. „Het is begrijpelijk dat ze, na al die kwartetwisselingen, nu tegelijk met pensioen willen. Voor mij en Martin Beaver was toen duidelijk: dat verlies gaan we niet opvangen. De naam Tokyo heeft bovendien een etnische connotatie waar je toch enig recht aan moet doen.”

Tokyo String Quartet, 6 en 8/12 Concertgebouw A’dam. Haydn, Ravel, Bartók. Inl: concertgebouw.nl