Vies Milieu is uit de mode

In Doha worden vandaag en morgen nieuwe klimaatafspraken gemaakt. Heeft Nederland zich de afgelopen jaren wel gehouden aan zulke afspraken?

Redacteur Wetenschap

‘Nederland is de hotspot van vieze lucht in Europa, samen met de Italiaanse Po-vallei”, zegt Frans Berkhout, hoogleraar innovatie en duurzaamheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

„In Nederland bevat 99 procent van al het oppervlaktewater te veel verontreinigingen”, zegt Nico Hoogervorst, senior onderzoeker beleidsevaluaties bij het Planbureau voor de Leefomgeving in Bilthoven.

„De steden breiden zich maar uit. Steeds meer natuur verdwijnt”, zegt Ekko van Ierland, hoogleraar Milieueconomie aan de Wageningen Universiteit.

Nu wereldleiders in Doha praten over het klimaatprobleem is drie deskundigen in Nederland de vraag voorgelegd hoe het eigenlijk staat met het milieu in Nederland. Hoe schoon, of vies, zijn bodem, water en lucht hier? En wat heeft de Nederlandse overheid de laatste tien, twintig jaar aan milieubeleid gedaan – of juist gelaten?

Berkhout en Hoogervorst maken zich vooral zorgen over de luchtkwaliteit. In het drukbevolkte Nederland rijden verhoudingsgewijs veel auto’s, door de internationale handelspositie is er veel scheepvaart en vrachtvervoer, en ook is er veel zware industrie. Dat merk je aan de lucht, zegt Berkhout. De concentraties fijnstof zijn relatief hoog, met name in het westen van het land.

In internationale studies is fijnstof al in verband gebracht met ontstekingen in de hersenen en met een verhoogde kans op autisme. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu berekende twee jaar geleden dat er in Nederland jaarlijks 2.090 mensen vroegtijdig overlijden als gevolg van een kortdurende blootstelling aan fijnstof. Nog eens 2.350 mensen worden met spoed opgenomen wegens problemen met de ademhaling of met hart- en bloedvaten. De economische schade hiervan wordt geschat op jaarlijks 10 miljard euro.

Je zou verwachten dat de overheid hier iets aan doet, maar ze heeft de maximumsnelheid voor auto’s juist verhoogd. En de door het kabinet-Rutte II aangekondigde belasting op oldtimers, die een belangrijke bron van fijnstof vormen, is onlangs toch weer ingetrokken na kritische berichtgeving in De Telegraaf en moties van Kamerleden Bashir (SP) en Van Vliet (PVV).

Het probleem is dat de normen voor de blootstelling aan fijnstof in de Europese richtlijnen niet streng genoeg zijn om deze gezondheidsschade te voorkomen, zegt Hoogervorst. Dat neemt niet weg dat Nederland al wel grote stappen heeft gezet. De uitstoot van fijnstof is de afgelopen twintig jaar met 60 procent gedaald, evenals de uitstoot van andere luchtverontreinigende stoffen zoals stikstofoxiden, ammoniak en zwaveldioxide.

Volgens Hoogervorst loopt Nederland ook achter wat betreft de kwaliteit van het oppervlaktewater – rivieren, beken, sloten, meren. Minder dan 1 procent voldoet aan de normen voor 2027. Met de voorgenomen maatregelen groeit dat wel, maar toch zal in 2027 niet meer dan 40 procent van het oppervlaktewater voldoen aan Europese normen. Dat komt vooral door de intensieve landbouw. Bestanddelen van mest en kunstmest sijpelen vanaf het land door naar het oppervlaktewater, met name stikstof en fosfaat. Het water krijgt een overmaat aan voedingsstoffen. Dat werkt algenbloei in de hand. Algen onttrekken zuurstof aan het water en maken het vissen en andere dieren moeilijk, zo niet onmogelijk, te leven. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is de huidige vorm van landbouw in Nederland niet verenigbaar met het halen van de doelen voor oppervlaktewater. „Of je past de landbouw ingrijpend aan, of je laat de doelen voor schoon water varen”, zegt Hoogervorst. Volgens hem zit Nederland vooralsnog met „een gigantisch mestoverschot”.

Over één ding zijn Hoogervorst, Berkhout en Van Ierland het eens. Nederland was in de jaren 70 en 80 een voortrekker op het gebied van milieu, maar die rol heeft het in de jaren 90 uit handen gegeven. Daarna is het op de ranglijsten weggezakt. Qua duurzame energie scoort Nederland bijvoorbeeld als een van de slechtste in Europa.

In de jaren 70 stond milieu internationaal nog hoog op de politieke agenda. De Amerikaanse biologe Rachel Carson had in 1962 met haar boek Silent Spring de wereld wakker geschud over de gevolgen van bestrijdingsmiddelen. In de jaren 80 stippelden milieuministers van de VVD – eerst Pieter Winsemius en daarna Ed Nijpels – ambitieus milieubeleid uit. Van Ierland zegt dat er toen grote stappen zijn gemaakt. „De Rijn was een vieze, stinkende rivier.” Die is, in Europees verband, opgeschoond. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw is toen sterk teruggedrongen en de luchtkwaliteit is in veel opzichten verbeterd.

Maar in de jaren 90 kwam een omslag. Het communisme was net ten grave gedragen met de val van de Muur in 1989. In navolging van Amerika raakte Europa bevangen door het liberale marktmodel. Het bedrijfsleven moest meer vrijheid krijgen. De overheid ging bedrijven privatiseren, eerst het post- en telefoniebedrijf PTT, daarna ook een deel van de energiebedrijven. Milieu raakte uit. Het milieudepartement kreeg geen minister meer, maar een staatssecretaris.

Tegelijk ging steeds meer milieubeleid naar Brussel. Normen werden daar vastgesteld, voor een schoon Europa. In Nederland gebeurde tegelijkertijd nog iets anders. De uitvoering van het beleid werd gedecentraliseerd. Provincies en gemeenten kregen daarvoor de verantwoordelijkheid. Dat beleid heeft averechts uitgepakt, zegt Van Ierland. Gemeenten concurreren met elkaar. Een bedrijventerrein hier, een sportveld daar. Iedereen wil dat, zegt hij. „Door een droef samenspel tussen projectontwikkelaars en ambitieuze lokale bestuurders wordt er steeds meer natuurgebied afgeknibbeld.” Zo gaat de biodiversiteit (de rijkdom aan soorten planten en dieren) almaar verder achteruit.

In 2002 schreef het Planbureau voor de Leefomgeving nog dat de meeste milieuwinst te behalen viel door de toenmalige zes kolencentrales te vervangen door warmtekrachtcentrales (die stroom opwekken en de daarbij vrijkomende warmte ook gebruiken). Maar de overheid zette in 2006 de privatisering van de energiebedrijven door, en verloor daarmee de greep op deze markt. Kort daarna meldde het ene na het andere buitenlandse energiebedrijf zich om een kolencentrale op Nederlandse bodem te bouwen. Drie gaan er volgend jaar in bedrijf, en er zitten er nog drie in de planning. Volgens Berkhout is dit een „hele slechte zet” van de overheid. „Het is een beroerde beslissing geweest die kolencentrales door te laten gaan.”

Wat betreft broeikasgassen, waarover nu in Doha wordt gepraat, is het beeld in Nederland gemengd. De uitstoot van methaan, een veel sterker broeikasgas dan CO2, is afgenomen doordat stortplaatsen worden afgedekt en het storten van huishoudelijk afval sinds 1996 is teruggebracht tot vrijwel nul. Maar de uitstoot van CO2 is sinds 1990 bijna continu toegenomen. Dat die uitstoot de laatste twee jaar aan het zakken is, heeft niet zozeer met beleid te maken, maar met de ingezakte economie, waardoor de industrie minder draait en auto’s minder rijden. Dat is ook de belangrijkste reden dat Nederland zijn, in Europees verband vastgestelde, doelstelling voor 2012 zal halen.

Economie en milieu blijven op gespannen voet met elkaar. Zeker in een tijd waarin wereldwijd de roep om economische groei allesoverheersend is, lijdt het milieu. Consequentie in beleid is er weinig, zegt Berkhout. Terwijl ze in Doha over het klimaatprobleem praten, probeert de Wereldhandelsorganisatie belemmeringen voor de wereldhandel weg te nemen – wat tot meer handelsverkeer en milieuvervuiling zal leiden. „Deze twee vormen van logica zijn niet met elkaar in overeenstemming te brengen.”