Twee maten in Berlijn

Het ziet er opeens niet goed uit voor het overkoepelende Europese bankentoezicht waar Europa deze zomer toe besloot. De Europese ministers van Financiën zijn dinsdag zonder resultaat uiteengegaan. Ze hopen volgende week alsnog tot overeenstemming te komen, vlak voor de top van regeringsleiders in Brussel.

Duitsland verzet zich tegen de afspraak alle circa 6.000 banken in Europa onder gemeenschappelijk toezicht van de Europese Centrale Bank (ECB) te plaatsen. Zulk toezicht is cruciaal om het vertrouwen van de financiële markten in de eurozone terug te winnen. Het is ook een essentiële bouwsteen voor het beleid om de nationale overheidsfinanciën los te koppelen van steun voor de eigen banken. Juist die lotsverbondenheid kostte Ierland en Spanje bijna de kop.

Wil de steun meer communautair worden, dan moet dat gepaard gaan met gemeenschappelijk en gestandaardiseerd toezicht, waarmee ook een gelijk speelveld in Europa kan worden geschapen. De Duitse vrees dat het monetaire beleid van de ECB kan gaan wringen met haar nieuwe, kolossale, toezichtstaak, snijdt wel hout. Maar Berlijn laadt vooral de verdenking op zich dat het de eigen banken liever niet aan Europa wil uitleveren.

Duitsland kent een enorme sector van lokale en regionale banken, die deels in overheidshanden is. En juist Duitse banken hadden een bovenproportioneel aandeel in de roekeloosheid die de bedrijfstak afgelopen decennium tentoonspreidde. Ze waren vaak een werktuig van de regionale economische politiek. Kredietagent Moody’s onthulde deze week dat Duitse banken grote risico’s lopen in de wereldwijde scheepsbouw – tweemaal zo groot als met al hun leningen aan de europrobleemlanden bij elkaar.

Berlijn maakt de indruk geen pottenkijkers te dulden in de eigen banken. De regering-Merkel meet met twee maten. Enerzijds legt zij de rest van Europa een moordende begrotingsdiscipline op en dringt ze aan op meer integratie om de eurozone van een stabiele toekomst te voorzien. Anderzijds geeft zij op een essentieel onderdeel van de oplossing van de eurocrisis niet thuis zodra het directe eigenbelang wordt geraakt.

Dat doet denken aan de jaren 2004-2005, toen Duitsland zelf in begrotingsproblemen was en het stabiliteitspact, dat het zelf afdwong, als eerste samen met Frankrijk aan de laars lapte. Voor Nederlandse beleidsmakers is dat een belangrijke herinnering. Kritiekloos meevaren in het kielzog van Duitsland bij het oplossen van de eurocrisis is niet zonder risico’s. Het raison d’état prevaleert als het erop aankomt ook in Berlijn.

Duitsland heeft nog een week om die indruk weg te nemen en in te stemmen met een pan-Europees bankentoezicht.