Moeten wij van Spinoza houden?

Houden de denkbeelden van Baruch Spinoza, Nederlands radicaalste 17de-eeuwse filosoof, stand? Arnon Grunberg zet ze af tegen de opvattingen van de huidige radicale denker Slavoj Zizek.

In zijn essay Is it Possible Not to Love Spinoza?, dat deel uitmaakt van de bundel Organs without Bodies, stelt de Sloveense filosoof Slavoj Zizek (zie kader) dat de essentie van het denken van Spinoza kan worden samengevat met één woord: superego.

Om nog even samen te vatten wat dat superego is, door Wilfred Oranje, de Nederlandse vertaler van Freud, aangeduid als ‘Boven-Ik’, is het goed om Freud zelf te citeren. In zijn essay Het Ik en het Boven-Ik schrijft Freud dat het Boven-Ik zich niet beperkt tot ‘de maning’ maar dat het ‘het karakter van de vader’ zal bewaren en zal heersen over het Ik als ‘geweten, mogelijk als onbewust schuldgevoel.’ Kortom, het Boven-Ik heeft een corrigerende en sturende functie. Je zou kunnen zeggen dat het Boven-Ik het geïnternaliseerde beschavingsproces is.

Zizek heeft weinig geduld met de surrogaatvader die hij in Spinoza ontwaart.

Of wij inderdaad verplicht zijn om van Spinoza te houden, zoals Zizek suggereert, weet ik niet, maar áls het om een verplichting tot liefde gaat, kan deze worden opgevat als een sabotage van die liefde, iets waar Spinoza zelf het vermoedelijk mee eens zou zijn; de verplichting maakt liefde onmogelijk.

Zizek schrijft met opzichtige ironie dat je wel van deze eenzame Jood moet houden, een eenzame Jood die ook nog eens uit de Joodse gemeenschap geëxcommuniceerd was. Hiermee impliceert Zizek dat de liefde voor Spinoza ten dele verklaard kan worden door diens biografie.

Het is waar dat het noemen van de naam Spinoza bij uiteenlopende mensen dezelfde soort reactie teweegbrengt, namelijk liefde en bewondering. Een enkeling zei zelfs tegen mij: „Hij is mijn held.” Dat het voor dat heldendom niet nodig is om iets van Spinoza gelezen te hebben spreekt voor zich. Heldendom gedijt immers het beste in de vochtige aarde van geruchten, persoonlijke geschiedschrijving en halve waarheden.

Aartsrationalist

Hoewel de verleiding groot is om Spinoza als aartsrationalist te beschouwen, erkent hij het bestaan van lust wel degelijk en wijst hij herhaaldelijk op de macht van gevoelens. Hij veinst niet dat de mens geen lichaam heeft, maar zoals hij een paar keer de eeuwige waarheid van God vergelijkt met de driehoek en de eeuwige waarheid van die driehoek, zo denk ik dat we in navolging van Spinoza God in een getal kunnen uitdrukken. Beter gezegd, wij kunnen God benaderen als de oplossing van een wiskundig probleem.

Op dezelfde manier kan de doodsdrift bij Spinoza als een verkeerd opgeloste wiskundige vergelijking worden opgevat. Het irrationele voor hem is weinig meer dan een gebrek aan precisie. Niet voor niets besteedt Spinoza veel ruimte in de Ethica aan het zo exact mogelijk definiëren van gevoelens; het verstand kan vrijwel alles inzichtelijk maken.

Wie een slaaf van zijn passies is, lijdt niet aan heviger passies dan anderen, maar heeft niet afdoende of exact genoeg nagedacht over die passies, waardoor hij tot onjuiste conclusies komt. Denken en voelen zijn één en hetzelfde bij Spinoza.

Er is wat mij betreft ook geen enkele reden aan te nemen dat wij liefde, door Spinoza omschreven als ‘blijdschap veroorzaakt door een ander’, niet kunnen uitdrukken in een andere, misschien betere, want exactere taal.

Muziek is een te romantisch, een te voor de hand liggend voorbeeld, we zouden liefde ook in getallen moeten kunnen uitdrukken.

Als rechtgeaarde Lacaniaan lijkt Zizek te stellen dat de essentie van mijn mens-zijn mijn gemis is. Ik verlang immers iets, ik ben mijn verlangen, en ik verlang altijd naar wat ik mis, het verlangen veronderstelt een gemis. Mijn pogingen om mijn fundamentele tekort, dat niet kan worden opgeheven, op te heffen, dat is dus de essentie mijn leven.

Als ik mijn eigen tekort ben, dus mijn eigen afwezigheid, en afwezigheid is niet iets positiefs, alleen maar iets wat werkelijk moet worden opgeheven, dan kan ik volgens Spinoza mijn eigen bestaan niet meer als iets positiefs zien, alleen nog maar als iets wat moet worden opgeheven.

Wat Zizek veronderstelt is dat Spinoza het gemis, de afwezigheid, nooit als positief kan waarderen. Volgens Zizek weigert Spinoza dus de fundamentele positie van het afwezige in de mens te erkennen met als consequentie de opheffing van het Ik.

Om Zizeks kritiek even simpel te verwoorden: is er nog wel een Ik als iedereen volgens de rede leeft?

Als wij de weg volgen die Spinoza uitstippelt in zijn Ethica, vraagt Zizek, is dat niet een vorm van zelf-opheffing? De bemiddelende functie van het Ik is namelijk overbodig geworden en daarmee is het bestaansrecht van het Ik komen te vervallen.

En er is een andere reden waarom het Ik bij Spinoza wordt opgeheven. Identiteit immers, zo stelt Zizek, is datgene waarin ik verschil van een ander, het is niet waarin ik overeenkom met een ander, wat Spinoza inderdaad voor ogen heeft. Stelling 35 van deel 4 van de Ethica luidt: ‘Alleen voor zover mensen geleid door de rede leven, komen ze altijd noodzakelijk in aard overeen.’

Iedereen vindt wel iets van zijn gading bij Spinoza, dat is waar, vandaar dat denkers en academici uit de meest uiteenlopende richtingen Spinoza opeisen. We moeten echter van de filosofische traditie geen supermarkt maken voor eigen ideeën die alleen nog een autoriteit nodig hebben. Als dát Zizeks waarschuwing is, dan kan ik hem daarin navoelen, maar Spinoza’s denken valt niet precies samen met wat Zizek de ‘standaard bourgeois liberale ideologie’ noemt. Zijn denken is weerbarstiger dan de liefhebber van tolerantie, onderwijs en vrijheid, tot wie hij dikwijls wordt gereduceerd.

Van Spinoza houden betekent misschien ook wel van Freud houden, anders gezegd: Spinoza sluit Freud niet uit.

Je zou zelfs kunnen stellen dat het denken van Spinoza samenvalt met het Es. Is het conatus, het streven, niet gewoon het Es dat de wet zo volledig geïnternaliseerd heeft dat er geen Boven-Ik meer nodig is? Het strevende Es, dat streeft met die bijna ‘heilige onverschilligheid’, die zo typerend is voor Spinoza?

Freuds lustprincipe legt bovendien dezelfde weg af als Spinoza’s rede. Het lustprincipe dat zichzelf ten einde heeft gedacht komt namelijk tot de conclusie dat de beste manier om geen negatieve prikkels te ervaren het ervaren van geen enkele prikkel is. Doodsdrift.

De ten einde gedachte rede bij Spinoza heeft eveneens het gebrek aan kennis opgeheven, hij kent de causale verbanden. Dus ook Spinoza’s denken raakt aan de doodsdrift. Want nogmaals, wat is het zijn zonder het tekort van het Ik?

Tegenover Zizeks typering van Spinoza als surrogaatvader zou ik de engel willen plaatsen. Ik stel mij voor dat de ten einde gedachte rede bij Spinoza de gedaante aanneemt van een engel, hoe onspinozistisch dat ook mag klinken. De mens die de causale verbanden kent, moet wel een engel zijn.

Een engel vat ik namelijk op als een wezen voorbij alle wanhoop en angst. Ook voorbij de hoop. De rede geeft ons namelijk geen hoop, hoop is een vorm van ongewisheid, en aan die ongewisheid maakt de rede nu juist een einde.

Wij moeten ons Spinoza’s engel vermoedelijk niet voorstellen als de archetypische engel, maar als een ander wezen, bijvoorbeeld een oneindige reeks getallen, die een schoonheid uitstraalt die wij, die nog in een onredelijk universum leven, namelijk het universum van de onvolmaakte eros, niet kunnen zien of bevatten.

Wie weet komt er een dag dat deze schoonheid aan ons zal worden geopenbaard, of Spinoza indachtig: dat wij die schoonheid aan onszelf zullen openbaren.

Dit is een bewerking van de bijdrage van Arnon Grunberg aan de Spinozadag 2012 op 25 november in Amsterdam. Zie ook filmverslag op www.arnongrunberg.com