Meester van de toegankelijke jazz

Met zijn jazzkwartet was Dave Brubeck, met hits als Take Five, een van de best verkopende, maar ook een van de meest bekritiseerde jazzmusici.

Dave Brubeck in 1956. Foto AP

De muziek van de Amerikaanse jazzpianist Dave Brubeck was voor velen een introductie in de jazz. Zijn muziek was toegankelijk, fris en populair. Bewonderd werd hij om zijn onnavolgbare stijl: blokakkoorden, hoekige syncopische timing en vooral de ongebruikelijke maatsoorten: de fascinerende oneven vijfkwarts in Take Five, de tot meeklappen uitdagende zevenkwarts in Unsquare Dance. Maar Dave Brubeck was ook van de meest bekritiseerde figuren in de jazz.

Werd zijn eerste groep, het Dave Brubeck Octet in San Francisco, nog als avant-garde beschouwd, het nummer Take Five, gecomponeerd door bandlid Paul Desmond in het Dave Brubeck Quartet, betekende een ommekeer. Een jazzhit als popsingle – not done. Terwijl van Brubecks album Time Out, met daarop andere ‘pop’-oorstrelers als Blue Rondo a la Turk, over de hele wereld miljoenen exemplaren werden verkocht, werd minzaam geschamperd over commerciële ‘cocktailpartymuziek’. Hoewel Miles Davis, Louis Armstrong en Charles Mingus altijd vol lof over hem bleven, stopte hij in 1967 met zijn kwartet.

Dave Brubeck zou vandaag 92 jaar zijn geworden. Hij stierf aan hartfalen, onderweg naar een afspraak met zijn cardioloog.

Het afgelopen decennium was Brubeck een levende legende, in concerten nog een buitengewoon lyrisch musicus die in zijn pianospel verwees naar vele muziekstromingen. Rentenieren wilde Brubeck, die zichzelf beschouwde als „een componist die ook piano speelt”, niet.

In 2002 speelde hij in de Hoornse schouwburg, met bassist Michael Moore, saxofonist/fluitist Bobby Militello en drummer Randy Jones. Bij een ontmoeting gaf hij geen hand. Hij was bang voor kwetsuren en had zijn vingers beplakt met minuscule pleistertjes. Een keurig grijze heer in een smoking, met een donkere bril met grote glazen en opvallende, gitzwarte wenkbrauwen. Op een vraag naar zijn gezondheid, zuchtte hij diep. „Heb je wel eens in een vreemd bed geslapen? Elke dag, veertig jaar lang? Drie verschillende maaltijden in vreemde landen? Het reizen valt me tegenwoordig zwaar. En eenmaal thuis geeft me ook geen rust. Er ligt nog bergen componeerwerk en onbeantwoorde post.”

Twee jaar later klonk hij met dezelfde bezetting op North Sea Jazz en in het Concertgebouw. „Al in het openingsstuk, een medium slow met een forse shot Bach, maakte hij duidelijk dat hij niet van plan was de avond freewheelend door te brengen”, schreef deze krant over zijn optreden in Amsterdam dat werd afgesloten met een staande ovatie.

Brubeck is in 1920 in Concord, Californië geboren op een boerderij. Zijn vader was veedrijver, zijn moeder leidde een kerkkoor. Hij wilde net als zijn vader boer worden, maar brak al na een jaar zijn studie af om muzikant te worden. In de Tweede Wereldoorlog diende hij in het leger, waarbij hij in Europa optrad voor de Amerikaanse troepen. Brubeck leerde pianospelen op gehoor. Hij loenste, het lezen van bladmuziek ging hem niet makkelijk af. Hij kreeg in de jaren veertig in Californië een klassieke opleiding bij Franse componist Darius Milhaud. Die geloofde in de combinatie met jazz. Hierover zei Brubeck: „Zo’n fantastische leraar hadden we wel nodig, want in die tijd ging je niet naar het conservatorium om jazz te studeren. Grote componisten als Bernstein waren zo bekrompen dat ze niet zagen dat de grote beweging vanuit de jazz kwam in plaats van de klassieke wereld.”

Miskend of niet, muziek hield hem op de been. Brubecks lust om te componeren nooit. Dagelijk werkte hij aan muziek. Niet alleen voor zijn eigen band, maar ook cantates, missen - hij was een religieus man, koormuziek, oratoria en strijkkwartetten en muziek voor symfonieorkesten. Of de mensen het nu vonden deugen of niet. „Nu ik oud ben, mag je mijn muziek weer goed vinden. Nou, ze doen maar. Ik houd er niet van om mijn muziek te categoriseren.” Muzikaal gezien, zei hij tien jaar terug, beleefde hij de meest interessante periode. Want er was zoveel in gang gezet, in zoveel stijlen. De serieuze pianostukken, jazzcomposities, de stukken voor vocalisten. „Lange tijd heb ik gedacht: ik heb het gecomponeerd, ik heb er van genoten, en het is een la verdwenen. Nu zeggen mijn zoons me: ‘pap, ik ken een operazangeres. Ze wil graag in je muziek van toen duiken.”

Toch is Brubeck voor de meesten altijd de man van Take Five gebleven, al was het niet eens van zijn hand. Bij concerten was het steeds anders, breed uitgesponnen, lyrisch en avontuurlijk. De melodie even ter herkenning en dan er op los improviseren. Eigenlijk had Brubeck, enkel om te bewijzen dat het elke avond weer anders kan zijn, nog een album willen maken met alleen maar variaties op Take Five.

    • Amanda Kuyper