Column

Je onthoudt de farao en niet zijn slaven

Wat nu volgt is exclusief voor niet-cynici.

Ruim anderhalf jaar nu praat ik met bankiers en andere financiële professionals in Londen over hun werk, leven en wereldbeeld. Waarom riskeren die mensen hun baan om aan een journalist van het fel linkse dagblad The Guardian verantwoording af te leggen? Een bankier die wordt betrapt op contact met de pers, is binnen vijf minuten een ex-bankier.

Ik stel deze vraag zelf altijd. Sommigen zijn gewoon nieuwsgierig, terwijl beurshandelaren naar mijn indruk worden aangetrokken door het risico; ze vinden het wel een grap dat dadelijk hun gehate baas dit interview leest, zonder te weten dat het over hem gaat. Anderen lijken oprecht te geloven dat er eigenlijk niks mis is met de sector, en hopen dat via een interview uit te dragen.

Maar menig financiële insider zegt te worden gedreven door idealisme. Nee, dit was geen drukfout. Idealisme. Wie de media oppervlakkig volgt, denkt al gauw over zakenbanken en andere financiële firma’s als een soort casino’s waar iedereen met enorme bonussen naar huis gaat.

Dat is onzin. De meeste werknemers bij een zakenbank hadden niets te maken met de exotische producten die de crisis veroorzaakten, en hun bonus is klein of nihil. Vergelijk het met de oude Egyptenaren. Je onthoudt de farao’s, maar vrijwel iedereen was in die tijd slaaf of horige.

Maar zelfs onder de eigentijdse farao’s spreek ik er opvallend veel die zeggen dat ze liever zouden werken in een stabiele financiële sector die door de samenleving wordt gerespecteerd om de nuttige rol die ze spelen – zoals de luchtvaart- en hightechindustrie.

Een mooi voorbeeld was deze week een vrouw van eind 30 die bij een handvol top zakenbanken had gewerkt, en toen een tijd bij een hedgefund (een soort beleggingsfonds). „In mijn eerste jaren als junior moest ik er om 6.55 uur in de ochtend zijn, en werkte ik soms door tot twee uur ’s ochtends. En ook in die gevallen moest je de volgende dag er weer om vijf voor zeven zijn. Een keertje kwam ik om vijf over zeven binnen, na zo’n nacht tot twee uur, en werd ik uitgescholden. We werkten zó veel, dat ik op vrijdag echt misselijk was. Dan sliep ik het hele weekend.”

Zo ging het jaren door. Haar werktijden zijn nu normaler, maar haar persoonlijkheid is veranderd. „De bank heeft me bot gemaakt, en ongeduldig. Op de beursvloer gaat het zo snel en is de druk zo enorm, dat je extreem alert moet zijn. Er is gewoon geen tijd voor beleefdheid. Hoe minder woorden je nodig hebt, hoe beter. Dat is nu mijn persoonlijkheid geworden, maar ooit zat ik niet zo in elkaar, voordat ik de sector inging.”

Ze vertelde verder over sommige bazen die erg veel kenmerken delen met psychopaten, en hoe mensen door hen worden vernederd, gemanipuleerd en uitgespuugd. Het is een van mijn ontdekkingen na achttien maanden: als je weet hoe zakenbanken hun eigen mensen behandelen, ben je een stuk minder verbaasd over hoe ze de rest van de wereld behandelen.

Een paar uur na ons gesprek mailde ze: „Zakenbanken mishandelen hun mensen. Maar daar rust zo’n taboe op dat ik het pas aan mezelf durfde toe te geven toen ik er op jouw blog anderen over hoorde praten. Soms is het zo verwarrend om met gewone mensen zoals jij te praten – binnen Goldman Sachs noemden we jullie ‘civilians’ – zoals het leger over de buitenwacht spreekt. Geloof me, in mijn wereld werkt het allemaal zo anders. Maar er zijn zo veel mensen zoals ik in de sector. We zoeken al tijden naar een stem en een podium van waaruit de verandering kan beginnen. Dankjewel, namens de hele banking community (the good people).”

Ik zei al: dit stukje was niet voor cynici.

De auteur doet in deze column elke donderdag verslag van het leven in de financiële wereld in Londen. Lees meer over de City op: guardian.co.uk/bankingblog