Hiorns is de brenger van het vuur

In De Hallen wordt het werk van de jonge Brit Roger Hiorns naast dat van Joseph Beuys geplaatst. Twee kunstenaars-tovenaars bij uitstek.

Roger Hiorns, ‘Zonder titel’ Foto Annet Gelink Gallery Amsterdam

Een alchemist wordt de Britse kunstenaar Roger Hiorns (1975) vaak genoemd en als je zijn tentoonstelling in De Hallen in Haarlem ziet, kun je je daar veel bij voorstellen. Hiorns’ beelden zijn vreemd, ongrijpbaar, verleidelijk (complexe vormen, knallende kleuren) en worden alleen maar intrigerender als je leest dat Hiorns onder andere kopersulfaat gebruikt en vuur en magnetisme en vliegtuigmotoren, schuim en zelfs koeienhersenen.

Hiorns’ beroemdste installatie is veelzeggend: in 2008 sloot hij een oude, vervallen flat in Londen hermetisch af om er vervolgens 75.000 liter kopersulfaatoplossing in te laten lopen. Toen hij het water na maanden liet weglopen, bleef op de wanden, de vloeren, alles, een dikke laag diepblauw glanzende kristallen achter – een echte wondergrot, zoals je die alleen maar dacht te kennen uit Disneysprookjes, maar die nu ineens in een ‘council flat’ bij metrostation Elephant & Castle bleek te liggen. Magisch, dat was het.

Dit soort transformaties keren voortdurend terug in Hiorns’ werk. Juist door het gebruik van bijzondere materialen en het nadrukkelijk spelen met geloof en zichtbaarheid (lígt daar wel een magnetisch veld? Zijn het écht koeienhersenen, op dat schilderij?) confronteert Hiorns je steeds opnieuw met de vraag wat de macht van de kunstenaar is, en in hoeverre het scheppen van een kunstwerk lijkt op een magische, bijna toverachtige daad. En niet onbelangrijk: als het allemaal zo magisch is, waarom zou je daar, als kunstenaar of als toeschouwer, eigenlijk in willen geloven?

Oorlogsvlieger

Het is daarom veelzeggend dat De Hallen het werk van Hiorns samen exposeert met twee grote installaties van Joseph Beuys (1921-1986). Beuys, de artistieke tovenaar-sjamaan-oplichter bij uitstek. Beuys baseerde zijn kunstenaarschap voor een belangrijk deel op het verhaal dat hij als (Duits) oorlogsvlieger in de Tweede Wereldoorlog boven de Krim was neergestort. Daar, in de sneeuw, werd hij gered door een groep rondtrekkende Tataren. Die smeerden Beuys in met vet en verpakten hem in vilt, twee materialen die later in Beuys’ oeuvre een bijna magische werking zouden krijgen: ze stonden voor transformatie, voor energie, voor leven en in het spoor daarvan werd Beuys een soort sjamaan die met die materialen magisch beladen objecten maakte.

Alleen: dat alles werd aan het wankelen gebracht toen de kunsthistoricus Benjamin Buchloh in 1980 een artikel publiceerde waarin hij vrij overtuigend liet zien dat het Tatarenverhaal (grotendeels) verzonnen moest zijn. Beuys had zijn eigen mythe gecreëerd. Alchemist was goochelaar geworden. Maar waren zijn beelden daarmee ook minder betekenisvol? Paste er niet juist bewondering voor de brille waarmee Beuys zichzelf tot tovenaar had getoverd?

Natuurlijk, op het gebied van de persoonlijke mythevorming heeft Hiorns een achterstand op Beuys die hij nooit meer inhaalt. Maar dat compenseert hij door zijn werken vol te stoppen met materialen, symbolen en gestes die dat mythische scheppingsgevoel via een heel andere weg alsnog oproepen. Het beste werkt dat in twee motorblokken waar (opnieuw) dikke lagen diepblauwe kopersulfaatkristallen uit lijken te groeien – het blauw is betoverend en het materiaal zo krachtig en elementair dat de natuur de techniek volledig overwoekert.

Het geldt zeker ook voor de ‘breinwerken’: dunne plastic plaatjes of mooie, schubvormige stukken piepschuim die door Hiorns met koeienhersenen zijn besmeerd. Je ziet die substantie nauwelijks (alles is vooral vuilgeel), maar de suggestie werkt: het gevoel dat het materiaal waarin gedachten ontstaan als een dunne laag over iets heen ligt, geeft dat object iets magisch. Tegelijk speelt Hiorns hierbij nadrukkelijk met elementaire artistieke kwesties: hoever mag je als kunstenaar gaan met het suggereren van betekenis? Is het toegestaan te liegen? Doet het ertoe of er werkelijk hersens in de beelden zitten verwerkt of is de suggestie – net als bij Beuys – eigenlijk al genoeg?

Naakt op een bankje

Het opvallendste ‘werk’ op de tentoonstelling is in deze geest echter de performance die plaatsvindt in de grote hal beneden. Daar staan een stuk of zes objecten té gewoontjes te wezen: drie parkbankjes, twee (forse) motoren en een roestvrijstalen tafel – op alle drie ligt een witte vuurbestendige lap. Eens in de zoveel tijd loopt een jonge man de ruimte in. Hij strooit wat vuurkorrels op de lap, steekt die aan en begint zich vervolgens in een hoekje van de ruimte bedaard uit te kleden. Naakt loopt hij naar het object dat is aangestoken, gaat op het andere einde zitten en staart rustig, bedachtzaam naar het vuur tot dat dooft.

Het is een zonderlinge performance, maar door de aanwezigheid van het vuur en de geconcentreerde naakte jongen werkt het wel: ineens zijn die zes doodgewone gebruiksvoorwerpen kunstwerken geworden. Beladen, vol betekenis – en vreemd genoeg gaat daar een elementair soort rust van uit. Als toeschouwer wil je er, ondanks een lichte lacherigheid, ook best in geloven, alsof je wordt teruggeworpen op een oerinstinct: vuur, naaktheid, de blik. En Hiorns maakt er een mooi statement mee: hij, de kunstenaar, is de brenger van het vuur. In het leven, in de wereld. Hiorns mag dan weliswaar geen Beuys zijn, in Haarlem roept hij zichzelf met gemak uit tot Prometheus. Als kunstenaar kun je slechtere voorbeelden kiezen.

Roger Hiorns, Joseph Beuys. T/m 24 febr in De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem. Inl: dehallen.nl