Het verbod op godslastering sterft nu echt

Wetsartikel 147, het verbod op smalende godslastering, is zijn einde nabij. De laatste veroordeling stamt uit 1965. Wel dient de wet nog als uitlaatklep voor gekrenkte gelovigen.

Illustration from Le Trombinoscope by Touchatout, caricature by B. Moloch, 1882. --- Image by © Stefano Bianchetti/Corbis © Stefano Bianchetti/Corbis

Een mensenleven heeft de wet bestaan. Geboren in november 1932 en sinds vorige week ten dode opgeschreven, toen een Kamermeerderheid voorstander bleek van de afschaffing van het verbod op smalende godslastering, artikel 147.

Het einde van deze wet, de zogenoemde ‘Lex Donner’, is nabij dankzij een draai van VVD. Een dubbele draai zelfs: in 2009 was de partij nog mede-indiener van een initiatiefwetsvoorstel voor afschaffing van artikel 147. Maar de VVD trok die steun in tijdens de vorige kabinetsperiode: het minderheidskabinet VVD-CDA was afhankelijk van de parlementaire steun van de SGP, en dus wilden de liberalen de staatkundig gereformeerden niet bruuskeren. Nu, bevrijd van die gedoogconstructie, is de VVD terug bij haar eerdere standpunt: een aparte wet voor godslastering is onwenselijk, gekrenkte godsdienstigen kunnen terecht bij artikel 137c dat allerlei groeperingen beschermt tegen opzettelijke belediging.

Het naderende einde van artikel 147 staat ook voor een einde aan decennia van juridisch en politiek geharrewar. Zolang de wet bestaat, is er al onduidelijkheid over de vraag wat die nu precies beoogt. Wie of wat beschermt de wet nu eigenlijk? En wat is ‘smalende’ godslastering nu precies?

De Lex Donner zag dus het licht in 1932. Naamgever was Jan Donner, minister van Justitie – en grootvader van Piet Hein. In die jaren kwamen anarchistische en communistische groeperingen op, die de christelijke God bespotten en beschimpten – het geloof hield het volk immers af van de communistische heilstaat. Zo verscheen op 23 december 1930 een artikel in het communistische partijblad De Tribune, getiteld Weg met het kerstfeest. Christus moest „op de mestvaalt, de heilige Maagd in de stal, de heilige Vader naar de duivel”. Een paar weken later verscheen een spotprent van God als de uitvinder van een nieuw gifgas.

Nederland in die jaren was nog voor het overgrote deel christelijk, en de ophef was aanzienlijk. Amsterdamse predikanten protesteerden, het Rooms-Katholieke Vrouwvolk ook, en een Limburgse pater genaamd De Leeuw waarschuwde dat hij met een „krachtige massa van potige Limburgse knapen” de „satansslaven” van de communistische pers uit elkaar zou jagen en „de vlam zou steken in dat hele gedoe”. Ook Kamerleden protesteerden, en eisten actie van de regering. Jan Donner besloot een wet in te dienen tegen smalende godslastering om zo weerstand te bieden tegen het volgens hem stelselmatige karakter van de communistische mediacampagne tegen God. Donner noemde de beschimpende uitingen „uitbraakselen der hel”.

Het parlementaire debat over die wet verliep warrig, zegt Henny Sackers, hoogleraar strafrecht aan de Radboud Universiteit en co-auteur van een boek over de historie van artikel 147. „Ook toen al vroegen Kamerleden zich af, wat betekent ‘smalen’? Wat is een godsbeeld precies?” Maar de welsprekende Donner redde zich eruit, volgens Sackers dankzij het gebruik van ellenlange, meanderende bijzinnen, „waarna het gemiddelde Kamerlid dacht: het zal wel aan mij liggen dat ik het niet meer snap”.

Artikel 147 was een feit, het smalend belasteren van God was verboden. „De toevoeging ‘smalend’ betekende dat er sprake moest zijn van grove spot of beschimping van God”, zegt Aernout Nieuwenhuis, universitair hoofddocent staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. „Religiekritiek en atheïstische propaganda bleven dus toegestaan.” Bovendien ging het puur om belediging van de christelijke God. „Uit de wetsbehandeling blijkt dat de wetgever niet doelt op opperwezens van andere religies – hoogstens op dat van de joden”, zegt Henny Sackers. Dat is ook logisch: in het Nederland van begin jaren dertig was bijna iedere gelovige christelijk.

Ja, er zijn Nederlanders schuldig bevonden aan smalende godslastering. Negen veroordelingen zijn er geweest, schrijft Henny Sackers in een artikel over de wetshistorie, gepubliceerd in 2005. Vooral in de jaren dertig moesten religiecritici op hun woorden letten. Een ‘radicale socialist’ werd in 1934 veroordeeld wegens zijn tekst in een openbare rede. Deze zin bezorgde de man een strafblad: „Een God die de tuberculosebacil heeft geschapen, is geen God maar een misdadiger.” Boete: dertig gulden. Omgerekend zou dat nu neerkomen op een euro of 250.

Ook een schrijver van een ingezonden stuk in de Vrije Socialist werd veroordeeld in 1934. Hij schreef over een etalage met in de uitverkoop katholieke beeldjes: „Jezus, iets beschadigd, van ƒ4,50 voor 69 cent”, „Maria, iets beschadigd, van ƒ5,50 voor 89 cent”. De rechtbank viel opnieuw over één zin in het bijzonder: „Dat Jezus iets beschadigd is, dat is begrijpelijk, daar was hij een jood voor, maar Maria, O dogma a priori, Maria Onbevlekte Ontvangenis.” Volgens de Amsterdamse rechtbank was er sprake van „grove, opzettelijke, boosaardige en misdadige krenking van de heiligste gevoelens van anderen”. De verdachte werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.

De laatste veroordeling stamt uit 1965. Een redacteur van Propria Cures, het Amsterdamse studentenblad, moest honderd gulden boete betalen. Hij had het evangelie een jaar eerder in een ‘lollig jasje’ gestoken. J. Christus van Nazareth (33) was een „amateurombudsman”, een „voedingsdeskundige”, een verlosser ergo „gynaecoloog”, en zijn apostelen waren zijn „adjudanten” alias „knokploeg”. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het artikel smalend was ten opzichte van „de persoon Jezus Christus”.

En toen schreef Gerard van het Reve, het was 1965, een artikel in tijdschrift Dialoog over de vleeswording van God tot ezel: „(…) ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.” Ophef alom. Een SGP-Kamerlid noemde het stuk „godslasterlijk” en „satanisch van inhoud”. Een juridische strijd volgde – tot en met de Hoge Raad.

En die sprak Van het Reve in 1968 vrij. De Raad verwees naar het woordje smalend: er zou pas sprake zijn van een strafbaar feit bij uitdrukkelijke opzet tot het beledigen van God. Sackers: „Een verdachte moet zo ongeveer erkennen, dat die geen enkele andere bedoeling heeft dan het godsbeeld van de christenen publiekelijk neer te halen. Een onmogelijk te leveren bewijs.” Aernout Nieuwenhuis: „De lat is toen buitengewoon hoog gelegd.”

Het Ezel-arrest was de genadeslag voor artikel 147. Sindsdien zijn er geen veroordelingen meer geweest. Wel zijn er tientallen klachten geweest van gekrenkte gelovigen: als zij het oneens zijn met een besluit van justitie om niet over te gaan tot strafvervolging, kunnen ze aankloppen bij het gerechtshof. Dat kan alsnog bevelen tot strafvervolging. Zo klaagde de Bond tegen het Vloeken wegens een lied van Van Kooten en De Bie, Het Wijnjaar Nul, uitgezonden in 1982, met onder meer het couplet „Jezus reed niet in een auto rond/had geen motor onder zijne kont/dat zou trouwens onverantwoord zijn/want ’s avonds dronk hij liters tafelwijn.” De Bond tegen het Vloeken klaagde ook over Theo van Gogh, die het in HP/De Tijd had over „christenhonden”, de „supportersvereniging van die rotte vis van Nazareth”. Andere klachten ging over Monty Pythons Life of Brian en over De Duivelsverzen van Salman Rushdie. Het gerechtshof zag bijna altijd af van een bevel tot vervolging. En beval het wél tot strafvervolging, dan leidde die keer op keer tot vrijspraak.

Een dode letter dus, artikel 147? Nee, zegt Henny Sackers, een „slapende letter”. Zeker, zegt hij, van vervolging is nauwelijks meer sprake. „Maar dat maakt de wet niet waardeloos. Het regent klachten bij het gerechtshof. De wet vervult dus een functie: het indienen van een klacht kan fungeren als een uitlaatklep voor gekrenkte gelovigen.”

Een ruime Kamermeerderheid vindt dat argument niet belangrijk genoeg. Het wetsvoorstel voor de afschaffing van 147 ligt klaar en zal hoogstwaarschijnlijk binnen enkele maanden worden behandeld.