'Door die idioten in België teken ik veel meer politiek nu' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 26: de Belgische cartoonist, schilder, tv- en theatermaker Kamagurka (1956). Hij woont in Brugge en heeft zijn atelier in Nazareth, een dorpje onder Gent.

‘Mijn twee dagelijkse cartoons voor Het Laatste Nieuws en NRC maak ik meestal thuis. Daar teken ik, schrijf ik, bedenk dingen. Doordeweeks sta ik op tussen acht en negen. Na het ontbijt bel ik als eerste met NRC; die zakt tenslotte om 12 uur. Dan vraag ik wat het nieuws is, wat ze hebben die dag. Poldermodel, formatieberaad, crisis: meestal heb ik meteen een idee. Soms heb ik het beeld voor ogen nog voor die journalist mij heel veel sterkte toewenst en ophangt. Ik heb ongeveer een half uur nodig om een goede tekening te maken.

Daarna ga ik naar het atelier, zo’n 45 minuten rijden. Ik kom hier om te schilderen, ideetjes op te doen, te sparren met mensen. Aan mijn medewerkers vraag ik altijd: vind je dit een goede grap? Ik ben nog altijd heel onzeker eigenlijk, wil toch nog bevestiging, aandacht en schouderklopjes. ‘Geniaal!’, ‘Fantastisch!’; dat wil ik horen. Ik heb bij NRC een heel goed contact met de mensen op de redactie. In Nederland zijn ze toch enthousiaster dan in België, over het algemeen zijn het mensen die meer levenskracht hebben. Ik ervaar Nederland als een heel open land, een land waar je ook als onbekend kunstenaar meer kansen hebt.

Ik teken met de goedkoopste stift uit de kantoorboekhandel. Op doorschijnend papier; als het mislukt leg ik de oude er gewoon onder. Ik vind het snel goed – je moet niet te veel prutsen aan een tekening, dan wordt het afgelikt. Ik hou een beetje van dat onaffe, dat snelle.

Schilderen is meer van het fysieke. Ik hou heel erg van verf, van de geur. Heerlijk om met een borstel (kwast, red.) op dat doek bezig te zijn. Ik ben heel direct. Ga staan en dan komt er iets. Ik put vooral uit het geheugen. Een schilderij met een vleeshaak: als klein jongetje stond ik bij de slager en zag dat vlees aan die haak hangen. Dat beeld komt ineens naar boven en daar doe ik dan iets mee.

De techniek gaat steeds vooruit. Ik maak een schilderij, daar wordt een foto van gemaakt, die wordt geprint op canvas, dat ga ik weer schilderen, dat wordt weer gefotografeerd en uiteindelijk afgedrukt op multiplex. Je zou oneindig door kunnen gaan en steeds weer hetzelfde doek kunnen maken in een andere variatie. Geweldig.

Een schilderij maak ik in een dag. Lang eraan werken geeft geen enkele garantie dat het beter is. De grootte zegt niets: een groot schilderij maak je gewoon met een dikkere kwast. Olie en acryl gebruik ik door elkaar. Als het niet lukt, pfffff, ik wil er niet te lang over doen, dan stopt de inspiratie. Dan kun je beter stoppen. Soms ga ik later nog verder. Of ik ga het bijna helemaal overschilderen, dan ontstaat er weer iets nieuws. Vaak maak ik schetsjes van een gedachte die ik ineens heb; er liggen en hangen hier dus overal briefjes met tekeningetjes.

Nu sta ik in het theater met Sprook, een sprookje voor grote mensen. Ik loop verloren in een bos. En vraag voortdurend aan de zaal: wat is dat? Dan beginnen ze dingen te roepen en daar reageer ik op. Ze denken misschien dat ik improviseer, maar dat is niet zo. Ik heb alles al uitgeschreven; er roept altijd wel iemand ‘egel’. Alleen de volgorde wisselt.

Jullie hebben zo’n idioot als Wilders die roept ‘Cultuur is een linkse hobby’ – volstrekt debiel eigenlijk, want sowieso zou ik zeggen: iedereen heeft recht op een hobby. In Vlaanderen zitten we ook met de gebakken peren. In Aalst is de N-VA nu aan de macht (Vlaams-nationalistische partij, red.). Als je daar nu binnenrijdt staat er een groot bord: ‘Aalst, een Vlaamse stad’. Ik vind dat een belediging naar de Vlamingen toe, want wij weten dat ook wel hè. Maar als je dat doortrekt krijg je straks: dit is een Vlaamse schoen. Als dat zo voortgaat zal ik hier weggaan, dan zou ik absoluut in Nederland gaan wonen. Want je ziet het: de éérste reactie van die man in Aalst is zo’n bord neerzetten. Ik denk dan meteen aan een soort nieuw fascisme godverdomme. Het is plat, vulgair, het heeft niks te maken met de maatschappij vooruit helpen. Ik ben er bang voor, omdat ik hier graag woon.

Uiteraard zie je dit terug in mijn cartoons. Als artiest, cartoonist, moet je die idioten aanpakken, gebruikmaken van je talent, ontmaskeren hoe ze echt zijn. Ik kan misschien beter gaan joggen of me een flink stuk in mijn kloten drinken, maar als ik het op papier heb gezet is het ook voor mij een stuk duidelijker, concreter – en kan ik er misschien beter tegen. Door de situatie hier in België ben ik meer en meer een politiek tekenaar geworden. En ik denk dat ik inmiddels ook met mijn schilderijen eraan toe ben om een inhoudelijke stap te zetten.

Gelukkig ben ik iemand die overal de humor van inziet, zelfs bij de meest erge dingen. Zoals dat bord in Aalst. Ik kan ook enorm genieten van mensen die moeilijk doen. Die maar zeuren, en klagen – allemaal voer voor humor. Ik ben iemand die veel lacht.”

    • Saskia van Loenen