De Uitspraak: Mag de overheid een schizofrene burger verhinderen zwanger te worden?

Mag de overheid een psychiatrisch patiënte verhinderen zwanger te worden? Met commentaar van NJB medewerkers Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden en Lisette ten Haaf, promovenda rechtstheorie in Amsterdam.

De Zaak. Een vrouw wil uit een inrichting vrijgelaten worden omdat ze zwanger wil worden. Ze weigert haar medicatie omdat ze vreest dat de pillen niet goed zijn voor een kind. Ze is tegen haar zin opgenomen in de psychiatrie en maakt bezwaar tegen verlenging van haar verblijf. De geneesheer-directeur meent dat zij ziek is en onder druk staat van haar vriend en diens moeder. De arts wil de zwangerschap voorkomen, ook uit vrees voor het kind.

Wat mankeert haar? Zij is schizofreen en psychotisch. Dat wordt verergerd door cannabisgebruik. Zij heeft zelf niet het idee dat ze ziek is. Volgens de geneeskundige bestaat er een ernstig gevaar dat zij de psychoses erger worden zonder medicatie. Ze zou „maatschappelijk ten onder kunnen gaan” en zich gevaarlijk kunnen gedragen. Ze weet niet wat een zwangerschap kan betekenen. Of ze voor zichzelf en haar kindje kan zorgen is „zeer de vraag”. Het gevaar van ‘decompensatie’ dreigt – ineenstorting.

Waarom wil ze een kind? Ze vindt dat het al een hele tijd goed gaat. Tot haar gedwongen opname woonde ze met haar vriend bij diens moeder. Behalve met anticonceptie en anti-psychotica is ze ook met cannabis gestopt. Zij het dat ze „af en toe nog een teugje” neemt. Ze voelt zich gesteund door haar vriend en diens moeder. De moeder verklaart het goed met haar te kunnen vinden en belooft „haar zo goed mogelijk bij te staan, ook in het geval er een kindje mocht komen”.

Welke maatstaf hanteert de rechter?

De overheid kan een burger in beginsel niet het recht ontzeggen een kind te krijgen. Artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens garandeert respect voor het privé leven. Daarin is inmenging alleen te rechtvaardigen als dat expliciet nodig is om een gevaar af te wenden. De toets is dan of dat ook met minder verstrekkende maatregelen kan worden afgewend, dan met gedwongen opname.

Hoe weegt de rechtbank de feiten? Dat haar vriend en diens moeder vooral willen dat ze zwanger wordt, vindt de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank erkent dat er een risico is op ‘terugval’ als ze definitief stopt met medicijnen. Maar hopeloos is niet. Toen de vrouw met haar vriend bij de moeder woonde „was op weg haar leven op adequate wijze vorm te geven”. Ze nam haar pillen en minderde met wiet. De rechtbank noemt het ‘noodzakelijk’ dat de inrichting nu uitzoekt of er medicatie bestaat die minder riskant is voor een eventuele zwangerschap. Die zou ze ook moeten gaan nemen. De vrouw is bovendien nog niet zwanger. Ook doen de frequente psychoses waar de inrichting voor vreest zich niet voor. Wel is de vrees daarvoor ‘reëel’. Maar dus ook ‘niet actueel’. Als zij zwanger wil worden dan kan zij daarop nog voorbereid worden. De moeder kan daarbij een rol spelen. Er „kan dus worden volstaan” met minder verstrekkende middelen dan opsluiting. Zij wordt uit de inrichting ontslagen. Ze mag het proberen.

Lees hier de uitspraak (LJ BY1814)

    • Folkert Jensma