Column

De oude garde fnuikt met gewauwel over vroeger

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

De universitair docent uit Groningen geeft een inleiding. Over kunstkritiek. Hij doet dat in het Stedelijk Museum in Amsterdam waar hij, vertelt hij zijn publiek, zonet even belandde in de zaal met de portretten van Marlene Dumas. Er kwam een vrouw binnen, die even rondkeek, vaststelde dat ze dit „niks” vond en de zaal weer verliet. Hij is nog steeds verontwaardigd. „Een vrouw van 45”, schat hij. Blijkbaar doet haar leeftijd ter zake, want drie zinnen later preciseert hij: „Een oude vrouw.”

De spanning stijgt: 45. Vrouw. Oud. En nu? Hoe verder? Vampier? Waar gaat dit naartoe? Nergens naartoe.

Gemiste kans voor deze geleerde man. Hij had haar staande kunnen houden om te vragen waaróm Dumas haar niet kan bekoren. Wie weet had hij ons dit venijn kunnen besparen en zijn lezing kunnen aanvullen met een gedachte over het verschil tussen een mening en kunstkritiek.

Ik heb geen zin meer om naar ’m te luisteren, maar weglopen is ook weer zo demonstratief. Bovendien, ik zit hier in het auditorium van het Stedelijk Museum voor de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2012. Die zal straks onder andere gaan naar kunstcritica Roos van der Lint voor haar essay ‘Kunst als Kookwekker’. Ze schreef over kunstenaars als Christian Boltanski en Sophie Calle, die volgens haar „goochelen met tijd”. Leuk essay. Wild en gewiekst. Persoonlijk. Een jonge vrouw, maar dat zal haar niet redden.

Want eerst hebben we de keynote-spreker en zijn lezing, en hij wordt somber, somberder, somberst. Al in de jaren tachtig is het bergafwaarts gegaan met de kunstkritiek, meent hij. Toen hadden we het nog voor elkaar, met critici als Rudi Fuchs en Carel Blotkamp en hun omvangrijke essays. Zulke auteurs zijn nu ver te zoeken en hij verwacht niet dat het ooit nog goed komt.

Dat kunnen Roos van der Lint en de andere prijswinnaars in hun zak steken. Ze zijn al afgeschreven voor ze goed en wel begonnen zijn.

Een dag later zie ik in de schouwburg in Den Haag Tsjechovs Drie zusters. Een nieuwe regie, van Theu Boermans. Wat weet die man goed raad met Tsjechov. De zusjes Olga, Masja en Irina willen weg: „Naar Moskou!” Maar ze zitten vastgeklonken in hun bestaan op hun armoedige landgoed. Dat is hier een glazen huis, een vacuüm midden op het podium. Boermans vervangt de traditionele melancholie van de drie zusjes door beukende drift. Ze stikken van onmacht, help! Dan stopt het dromen. Moskou zit er niet in, hun verbeelding legt het af. Aangrijpend slotbeeld: het glazen huis vult zich met mist en ze verdwijnen in de nevelen van de tijd.

Doordat die nare speech in het Stedelijk nog door mijn hoofd spookt, zie ik ineens hoe in Drie Zusters de oude garde de jongere generatie eronder houdt met gewauwel over vroeger. En datzelfde voel ik op de tentoonstelling van de kunstenaars die mogen werken aan de Rijksakademie. Er zitten heus goeie werken bij. Maar niemand zet ook maar een stap buiten de paden van herkenbare grote voorbeelden. De sfeer is mat, de kunst is ingekeerd, beschaafd en wars van twijfel. Braaf.

Gelukkig beland ik die middag in een afgedankt schoolgebouw aan de Amsterdamse Zuidas, voor de ‘Kunstvlaai’. Smerige naam, maar wat een leven. Het roezemoest op deze expositie, Inexactly This, waar een zooitje alternatieve, onafhankelijke kunstenaars hun publiek betrekken bij wat ze spannend, mooi of interessant vinden. Ik zie maffe initiatieven en onverwachte vormen. Ik laaf me aan de ondernemingslust en raak aan de praat met de ene na de andere wildebras. Wat is deze kunst waard? Graag zag ik de Kunstvlaai toegelicht door een van de winnaars van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek. Kunstkritiek echoot de tijd waarin hij wordt geschreven. Wie nostalgisch verlangt naar de kritiek volgens vroeger, verlangt naar een mummie – mooi en sterk, dat is mogelijk, maar strak in de windsels, hij beweegt niet meer.

Ik was erbij, bij dat vroeger van de spreker in het Stedelijk. In de jaren zeventig en tachtig was gelijkhebberigheid à la mode, daarom verslikten ook de coryfeeën zich nogal eens in hun gewichtigheid. Het is moeilijk om verbaasd te blijven, het is zwaar om luchthartig zijn. En toch is dat de kern van goede kunstkritiek.