Rutte zoekt ook in Eerste Kamer steun bij oppositie

De afspraken in het regeerakkoord zijn niet in beton gegoten. En het kabinet gaat op zoek naar „een zo breed mogelijke steun” voor zijn beleid.

Dat zei premier Rutte gisteren tijdens de Algemene politieke beschouwingen in de Eerste Kamer. Het ziet ernaar uit dat het kabinet van VVD en PvdA langere tijd moet regeren zonder meerderheid in de senaat. Rutte is zich daarvan bewust, zei hij gisteren. Hij zal daarom in de Tweede Kamer al steun zoeken bij de oppositie. In de praktijk stemmen senatoren vaak hetzelfde als hun geestverwanten in de Tweede Kamer.

Rutte wil voldoende steun voor de plannen: „De problemen in dit land zijn té groot, de oplossingen zijn té ingrijpend.” Een meerderheid van „de helft plus één is niet genoeg”.

Daarvoor zal Rutte wel de nodige concessies moeten doen. Voorstellen als het afschaffen van de ov-studentenkaart en de basisbeurs, en het invoeren van een heffing voor woningcorporaties stuiten op bezwaar bij de oppositie. De premier ging er niet op in: „Dat moeten we nog uitwerken.”

Rutte hoopt vooral op steun van het CDA, maar de fractievoorzitter van die partij in de senaat, Elco Brinkman, was kritisch. Hij vindt dat het kabinet te weinig doet voor de werkgelegenheid, heeft moeite met de lastenverzwaringen voor gezinnen en noemde de nivelleringsplannen „symbolisch herverdelingsbeleid”. Brinkman: „Rekent u zich niet te vroeg rijk bij ons. Werken in deze Kamer is meer dan bij het kruisje tekenen. Voorstellen kunnen beter op tijd worden gewijzigd dan dat ze hier worden verworpen.”

Regeringspartij PvdA was ook uiterst kritisch over het regeerakkoord. Fractievoorzitter Marleen Barth zei dat het kabinet meer aan het verbeteren van werkgelegenheid moet doen. Ook zei ze bezorgd te zijn over de immigratie-, asiel- en veiligheidsparagraaf, de plannen voor de huursector, de decentralisatie van de jeugdzorg, de langdurige zorg en de sociale werkplaatsen, en over de versobering van de WW. Barth: „Dat ligt ons zwaar op de maag.”

Maar gevraagd naar welke consequenties ze daaruit trekt, hield Barth haar mond: „Daar ga ik niks over zeggen. Ik ben bezorgd, daar laat ik het bij.” Wel zei ze dat de (financiële) doelen van het kabinet overeind blijven staan.

De PVV kwam met een motie van wantrouwen tegen het hele kabinet, een unicum in de historie van de Eerste Kamer. Volgens de partij „worden de belangen van de Nederlanders willens en wetens geschaad”.