Print een zuil of een badkuip

Onderdelen van een huis printen, een soort gebouw van paraplu’s en een paviljoen van zeepbellen. Het gebeurt bij DUS Architects.

Redacteur Architectuur

Als je thuis een geweer kunt printen, of een onderdeel van een fiets, of zelfs een boterham – waarom dan niet een huis? Als je 3D printer maar groot genoeg is. In de tuin bij DUS Architects in Amsterdam-Noord staat nu de KamerMaker, een zeecontainer op z’n kop die in staat moet zijn – het is tenslotte een experiment – om onderdelen van een huis 1:1 te printen van gerecycled kunststof of bioplastic van maïs.

De KamerMaker is het nieuwste voorbeeld van het vrolijke denken én doen van DUS Architects, in 2004 opgericht door Hedwig Heinsman, Martine de Wit en Hans Vermeulen die elkaar tijdens hun opleiding aan de TU Delft leerden kennen. Vorig jaar won het bureau de Amsterdam Prijs, nu zijn ze genomineerd voor Architect van het Jaar.

In de KamerMaker zit alles wat DUS belangrijk vindt: het samenbrengen van diverse disciplines, het werken met open source kennis, het nadenken over grondstoffen en hergebruik, het onderzoeken van de verhouding tussen het web en fysieke producten. „Er worden nu veel verschillende producten geprint, maar aangezien wij architecten zijn, willen wij onderzoeken wat de 3D printer voor het bouwen kan betekenen”, zegt Hans Vermeulen. De kamer is er nog niet uit de KamerMaker gekomen, wel wat proefjes met verschillende constructies voor vloeren en, voor de lol, een reusachtige armband.

Dat collectieve is het werkmodel van de toekomst, daarvan is DUS overtuigd. DUS is zelf lid van een coöperatie, de Open Coop in het voormalige poortgebouw van Shell, samen met geestverwanten als Hack de overheid die zich inzet voor open data, campagnemaker Partizan Publik, Eddie the Eagle die tijdelijke museale events organiseert, en een aantal kunstenaars en ontwerpers.

In april richtten ze Amsterdam Energie op, die goedkope groene stroom levert die lokaal, dat wil zeggen in Noord-Holland, is opgewekt. Hans Vermeulen: „In een tijd waarin alle instituties tegen het plafond lopen, is de coöperatie een manier voor het individu om een vuist te maken tegen de markt.”

En onder de naam De Nieuwe Amsterdamse School werken ze nu plannen uit voor een woningbouwcoöperatie – een alternatief voor de woningbouwcorporaties die, zoals de naam zegt, te corporate zijn geworden. „De Amsterdamse School van begin twintigste eeuw was een mooie samenwerking van publieke en private sectoren. De woningmarkt zoals we die kennen is vastgelopen, de tijd is rijp voor een nieuwe aanpak.”

Ontwerpen en bouwen, dat is één doorlopend experiment, vindt DUS. Daarom maken ze veel tijdelijke gebouwen, waarmee ze ideeën kunnen testen. Een van de eerste was een verplaatsbaar huisje/hotel van met zand gevulde Turkentassen. Hedwig Heinsman: „Dit was een verwijzing naar Istanbul waar 70 procent van de stad uit ‘informele bouw’ bestaat. Daar geldt de ongeschreven regel dat je mag blijven als je in één nacht een onderkomen kunt optrekken. Met zo’n klein tijdelijk gebouw kun je het onderwerp van de verstedelijking in de megasteden aan de orde stellen.”

Twee jaar geleden richtten ze in Rotterdam een straatfeest aan in een koepel van rode paraplu’s rond een lantaarnpaal. Deze warmgloeiende rode straatbar ging viral op internet en werd daarmee net zo bekend als de miljoenen kostende ‘iconen’ van een Koolhaas of een Gehry.

Een ‘gebouw’ van paraplu’s mag letterlijk een vorm van architectuur light zijn, eerder dit jaar bedachten ze voor de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam het meeste efemere gebouw ooit: een paviljoen van zeepbellen. Door met een paar mensen een stalen frame op te tillen, trok je als het ware glinsterende ‘muren’ op – die al snel daarna, ping!, net als de zeepbel van de economie en de bouw, uiteen spatten.

In al zijn tere tijdelijkheid is de Bubble Building de perfecte metafoor voor de stand van zaken in de architectuur, zegt Martine de Wit. „Het belichaamt de eeuwige cyclus van bouwen, slopen en herbouwen. Bovendien bouw je dit samen, om de stalen frame waar de zeepbel in hangt omhoog te trekken, heb je minstens twee mensen nodig”, zegt ze. „Hoe meer mensen er meedoen hoe groter het paviljoen kan worden.”

Voor meer informatie, kijk op: dusarchitects.com, kamermaker.nl en amsterdamenergie.nl