Nul euro voor softbal en badminton

NOC*NSF kiest voor meer geld naar sportbonden met olympische medaillekandidaten. Slecht presterende sporten zijn de dupe.

Hoe verheugd of boos sportbonden ook zijn over de toewijzing van topsportgelden in aanloop naar de Olympische Spelen in Rio (2016), sportkoepel NOC*NSF kan onmogelijk onzorgvuldigheid worden verweten. Niet eerder is zo consciëntieus een verdeling gemaakt als deze keer onder leiding van technisch directeur Maurits Hendriks.

Gemeten naar bedragen zijn de zwemmers, meerkampers (atletiek), rugbyvrouwen (sevens) en judoka’s de grote winnaars van het nieuwe verdeelsysteem, waarbij nog nadrukkelijker ingezet wordt op medaillekanshebbers bij de Spelen. Kansrijke sporten krijgen significant meer geld dan voorheen uit de ruif van totaal 26,5 miljoen euro per jaar.

Zelfs dan blijkt niet iedereen tevreden, want de judobond meldt in een reactie ontevreden te zijn. Niet met de verhoogde bijdrage van ruim 1,1 naar 1,5 miljoen euro, maar omdat op meer was gerekend. Het wordt met dit bedrag moeilijk drie medailles bij de Spelen te winnen, waarschuwt de judobond op voorhand.

Die reactie is pijnlijk voor sporters die het de komende vier jaar met minder of helemaal niks moeten doen. Wat te denken van coaches voor wie ontslag dreigt als gevolg van verlaagde of verdwenen uitkeringen. Bij badminton, basketbal (mannen), vier atletiekdisciplines, wegrace, schoonspringen, synchroonzwemmen, waterpolo (m), trampolinespringen, boksen (m), tafeltennis (m), softbal, kunstrijden en kanoën, om maar een aantal te noemen, is dat een serieuze bedreiging. Van al die sporten is de uitkering rigoureus teruggebracht tot nul euro.

De keerzijde van de scherpe keuzes die NOC*NSF heeft gemaakt, is dat matig tot slecht presterende sporten zwaar gedupeerd worden. Zie daar maar eens bovenop te komen. De meeste sportbonden zijn dermate armlastig dat er amper geld is voor topsport, wat de kansen op herstel van de door NOC*NSF uitgerangeerde sporten klein maakt.

Aanscherpen van de normen voor olympische ondersteuning is ingegeven door de ambitie van NOC*NSF bij de tien beste sportlanden ter wereld te horen. Hendriks vond dat bij zijn aanstelling in 2009 een relatief vage doelstelling. Om te weten aan welke voorwaarden dan voldaan moet worden, liet de technisch directeur twee jaar geleden een ‘studie toptien’ uitvoeren. De conclusie: het geld voornamelijk besteden aan succesvolle sporten.

Een analyse van de olympische medailleverdeling leerde Hendriks dat Nederland bij Zomerspelen weliswaar de toptien kan halen, maar de zeven succesrijke sporten daarvoor net te weinig gewicht in de schaal leggen. Voor het podium moeten er meer sporten bij komen. Mede om die reden wordt niet al het beschikbare topsportgeld onder de acht uitverkoren bonden (inclusief schaatsen bij de Winterspelen) verdeeld, maar heeft een dertigtal sporten de status van ‘belofte’ gekregen. Waar de podiumkandidaten bijna 9,8 miljoen kregen toegewezen, hebben de beloftevolle sporten 8,8 miljoen te verdelen. Daarnaast stroomt er 3,6 miljoen naar dertien programma’s voor talentontwikkeling.

Hoewel een aantal bonden diep ongelukkig is met de uitkomst van de nieuwe verdeelsleutel is Hendriks moeilijk te kritiseren. De sportbonden hebben zich in januari tijdens een algemene ledenvergadering in overgrote meerderheid achter de nieuwe verdeelsystematiek geschaard. Zij zijn mede verantwoordelijk voor de nieuwe tweedeling.

Nog even wat cijfers. Van de 180 topsportprogramma’s die in aanloop naar ‘Londen’ gefinancierd werden zijn er voor ‘Rio’ nog 55 over. De bonden hadden bij elkaar voor 60 miljoen euro aangevraagd. Bij een toewijzing van minder dan de helft van dat bedrag zijn de vele teleurgestelde reacties logisch.

In tijden van crisis zal Hendriks niet snel roepen dat hij meer geld wil, maar zijn hart spreekt een andere taal. Om de concurrentie aan te gaan, had hij op een hoger besteedbaar budget gehoopt. Maar dat was niet reëel, omdat er uit de drie bronnen – overheidsbijdragen, Lotto-gelden en sponsorinkomsten – niet meer geld loskwam. Om een beeld te geven van landen waarmee Nederland voor een toptienpositie moet concurreren: Japan heeft 227 miljoen euro aan olympische sporten te besteden, Frankrijk 187 miljoen, Australië 148 miljoen, Canada 147 miljoen, Groot-Brittannië 97 miljoen, Spanje 90 miljoen en Brazilië 57 miljoen. Tegen die bedragen steekt de 26,5 miljoen in Nederland inderdaad wat schril af.

    • Henk Stouwdam