Niks mis met een beetje dictatuur op het werk

Waarom is er op ons werk eigenlijk geen democratie en kiezen we onze baas niet zelf?

1930 --- Human hands are outstretched and layered on this photomontage for the labor movement, declaring, "Let us fulfill the plan of great works". --- Image by © CORBIS © CORBIS

Democratie en vrijheid, zo leren we op school, vormen het fundament van onze samenleving. Wie de baas is van ons land, mogen we zelf bepalen. Democratie is zuiver, eerlijk en goed, vinden we. We sturen zelfs militairen naar verre landen om daar democratie te brengen. Waarom is er dan geen democratie op de plek waar je een groot deel van je leven doorbrengt: je werk?

Bedrijven worden geleid alsof het legers zijn: hiërarchisch, top down. Het zijn ministaatjes met aan het roer alleenheersers – superaardige en verlichte alleenheersers, misschien, maar toch. Als we zo heilig in democratie geloven, waarom gebruiken we dat systeem dan niet in kantoortuinen en fabriekshallen?

Natuurlijk, je werk is geen Noord-Korea. Er zijn ondernemingsraden en vakbonden. Werknemers hebben het recht om te staken. Maar toch, dat blijft peanuts vergeleken bij pure democratie. Dat is extra raar, omdat je werk grote impact op je dagelijks leven heeft. Veertig uur per week gehoorzaam je aan regels die anderen hebben bedacht. Wat je manager besluit, leidt eerder tot stress en slapeloze nachten, dan plannen van de premier.

Echte werkvloerdemocratie, alle macht naar de werknemers – dat doet denken aan antieke utopieën en aan uit de hand gelopen experimenten. Aan Marx. Toch is het meer dan een droombeeld. Er bestaan moderne succesverhalen van democratisch geleide bedrijven, waar werknemers mogen meebeslissen – en niet alleen over het kerstpakket of de kunst aan de muur.

Beroemd is de Spaanse coöperatie Mondrágon, een bedrijf met ongeveer 100.000 werknemers, die allemaal inspraak hebben. Of op kleinere schaal: in het Amerikaanse Athens, Ohio, heb je het restaurant Casa Nueva, waar werknemers mede-eigenaar zijn. En bij het Nederlands softwarebedrijf Colorjinn mogen werknemers zelf bepalen wat ze doen, schreef directeur Igor Asselbergs onlangs in deze krant. Zo’n systeem past uitstekend in een tijd waarin internet alles democratiseert en kennis delen belangrijk is. Dat legermodel lijkt dan heel ouderwets.

Werkvloerdemocratie wordt ook verdedigd door moderne filosofen en economen. Bijvoorbeeld de Amerikaanse hoogleraar economie Richard D. Wolff. Hij publiceerde deze zomer het boek Democracy at Work: A Cure for Capitalism. Zonder democratie op de werkvloer is een land niet echt democratisch, stelt Wolff. Hij begon de beweging Democracy at Work, die ijvert voor de herwaardering van coöperaties – bedrijven waar werknemers meebesturen.

Waarom is dat systeem nog niet overal ingevoerd?

Democratie heeft natuurlijk grote nadelen. Het maakt besluitvorming bijvoorbeeld traag. Een referendum over de aanschaf van een nieuwe printer – dat werkt niet. Bovendien: wat weet een fabrieksarbeider nu van strategie? Denk ook aan hoe vakbonden harde, maar noodzakelijke ont- slagrondes kunnen blokkeren.

Daar staan economische voordelen tegenover. Een democratisch genomen besluit wordt met meer toewijding uitgevoerd. En misschien is het ook een beter besluit, omdat meer mensen hebben meegedacht. En een bedrijf dat werknemers niet als kinderen, maar als volwassenen behandelt, krijgt daar volwassen werknemers voor terug.

Maar doet het er wel toe of democratie effectief is? De Tweede Kamer is soms ook stroperig en contraproductief. En zelfs de domste mensen mogen meestemmen over zaken van landsbelang. Niet omdat dit systeem rendabel is, maar omdat het rechtvaardig is. De vraag moet zijn: is democratie op het werk ook rechtvaardig? Heb je er recht op?

Dat is een vraag voor filosofen en politicologen. En die wijzen op drie belangrijke verschillen tussen een staat en een bedrijf.

Ten eerste: voor een land heb je niet vrijwillig gekozen, voor een baan wel. In een land word je geboren; naar je baan heb je gesolliciteerd. Je hebt zelf dat contract ondertekend. En je kunt altijd opstappen.

Een tweede verschil: de staat is veel machtiger dan een bedrijf. Een staat mag geweld gebruiken, mag jou opsluiten. Logisch dat die macht ingeperkt wordt met democratie. De macht van managers wordt ingeperkt door de wet. Je hebt als werknemer ontslagbescherming, je hebt recht op een goede bureaustoel, enzovoorts.

Ten derde: aan de staat betaal je belasting. Dat je mag stemmen is dus logisch: het gaat over je eigen geld. Maar van je werkgever kríjg je juist geld. Stel je voor dat je aannemer bent en je huurt mensen in om een dakkapel te bouwen. En dat die werknemers dan heel democratisch besluiten om geen dakkapel te bouwen, maar een schoorsteen. Is dat soms rechtvaardig?

Toch kun je een bedrijf best met een staat vergelijken, zeggen – vooral linkse – filosofen. Zo iemand is Robert Dahl, hoogleraar politieke we-tenschappen in Yale. In zijn boek A Preface to Economic Democracy (1985) schreef hij bijvoorbeeld dat een baan niet zo vrijwillig is als die lijkt. Want je kunt je baan niet zomaar opzeggen: een mens heeft brood op de plank nodig.

Dat tegenargument telt dubbel tijdens een economische crisis. Het werk ligt niet voor het oprapen. Dat geeft werkgevers relatief veel macht. Bovendien is het vangnet van de welvaartstaat ook niet meer zo stevig als vroeger.

Nog een tegenargument: de rookwetgeving. Een werknemer heeft recht op een rookvrije werkplek. Je zou kunnen zeggen: als je niet tegen rook kunt, zoek je toch een andere baan? Maar zo is het niet geregeld, juist omdat je niet zomaar van baan kunt wisselen.

En heeft de staat echt meer macht dan het bedrijfsleven? Op jouw dagelijks leven heeft je baas veel meer invloed dan de premier. Bovendien, multinationals en banken hebben enorme invloed op de wereldpolitiek: het zijn feitelijk staten op zich. Toch ontbreekt daar interne democratie. Mensen die ontslagen worden, zijn vaak boos op de regering, in plaats van op het bedrijfsleven. Dat is wat professor Richard Wolff van Democracy at Work zo gek vindt. Als ik een kapitalist was, zei hij onlangs in een interview, zou ik me rot lachen. „Ik schop jou, maar jij wordt boos op iemand anders!”

Nu is niet iedereen een marxist. En we leven niet in Amerika. Maar het blijft opmerkelijk dat er wel precies beschreven staat wat de hoogte van je bureaustoel moet zijn, maar niet dat je recht hebt op directe democratie.

Als een meerderheid van de Nederlanders meer democratie op het werk wil, zou dat natuurlijk geregeld kunnen worden via een wetswijziging – net als met de bureaustoel. Maar willen we het eigenlijk wel?

Stel je voor dat er op je werk steeds verkiezingen zouden zijn voor managementfuncties. Dat je campagne moet gaan voeren voor je baan. En lang niet iedereen wil in de ondernemingsraad zitten – laat staan continu nadenken over de koers. Daarbij: zodra je zelf verantwoordelijkheid draagt voor het beleid, verlies je het recht om te mopperen op de baas. Ook jammer.

In een verlichte dictatuur kan het best prettig toeven zijn. Soms is het fijner om gewoon van bovenaf te horen wat je moet doen. Kennelijk verkiezen de meeste mensen de veiligheid en overzichtelijkheid van de gouden kooi. De rest wordt eigen baas en begint zelf een bedrijf – al dan niet democratisch.

    • Arjen van Veelen