Opinie

    • Frits Abrahams

Lolita

Opeens moest ik aan Lolita denken.

Het gebeurde deze week tijdens een boeiende discussie over pedofilie in De Balie in Amsterdam onder de aandachtige leiding van Arnon Grunberg. De discussianten waren Corine de Ruiter, hoogleraar forensische psychologie in Maastricht, en Marthijn Uittenbogaard van de vereniging Martijn, inmiddels verboden door de rechter omdat ze contacten tussen volwassenen en kinderen zou verheerlijken.

De discussie verliep langs vertrouwde lijnen. De Ruiter beklemtoonde de schadelijkheid van het pedoseksuele contact, Uittenbogaard relativeerde die schade en noemde de pedofiel de zondebok van een maatschappij die de eigen gevoelens op dit gebied onderdrukt.

„Seks is een oerkracht die je moet leren beheersen”, zei De Ruiter, „er ontstaat een levensgroot gevaar als je dat met een kind wilt delen.”

„Over het algemeen geldt: als je iets fijn vindt, krijg je er geen problemen mee”, reageerde Uittenbogaard.

„En roken dan”, zei Grunberg, „en mensen die dronken met elkaar naar bed gaan?”

Dit samenspraakje gaf de avond in een notendop weer: de rationele veroordeling van De Ruiter, de relativering door Uittenbogaard en de scepsis – vooral richting Uittenbogaard – van Grunberg.

Tegen het einde maakte Grunberg een interessante opmerking over de ‘dramatische kant’ van de pedoseksuele relatie. De oudere partij verliest zijn interesse in het kind als het ouder en geslachtsrijp wordt en verbreekt het contact. Uittenbogaard reageerde nogal vaag, het klonk een beetje als wensdenken: „Je moet er voor zo iemand blijven, je blijft er ook het kind in zien, het blijft aantrekkelijk…”

Ik denk dat Grunberg dat goed zag – je hoort vaak dat dergelijke pedoseksuele contacten aflopen als het kind volwassen wordt. Iemand die daar eerder op wees, was Willem Frederik Hermans. Toevallig las ik enkele dagen vóór deze discussie wat Hermans over de roman Lolita van Nabokov heeft gezegd in een interview uit 1981 met Max Pam voor de Volkskrant.

Hermans: „Lolita is inderdaad zijn beste boek, maar het slot is niet goed. De hoofdfiguur vindt Lolita ergens in Canada terug. Zij is ondertussen een getrouwde vrouw geworden met een man en een kind, niet meer het onrijpe meisje op wie hij zo lang gefixeerd is geweest. Maar toch wil hij haar terug hebben. Hij begint te janken en wil dat zij met hem meegaat. Daarmee vleit Nabokov het grote publiek dat in zijn binnenste denkt: goddank, die hoofdpersoon was toch minder abnormaal dan wij dachten; het ging er dus niet om dat zij zo’n klein meisje was. Zoiets zou ik nooit geschreven hebben. Bij mij had de hoofdpersoon gezegd: een huissloof, bah, vies, neemt u mij niet kwalijk, ik heb de verkeerde deur genomen. Als de man inmiddels naar de psychiater was geweest en zich had laten behandelen voor zijn gefixeerdheid op kleine meisjes, dan was het wat anders geweest. Maar daar geloofde Nabokov niet in. (...) Nabokov is op de laatste pagina eventjes opgetreden als deus ex machina en heeft toch zijn personage stilzwijgend genezen. Dat is onvergeeflijk. Als je een boek schrijft over een tijger, mag je hem niet in het laatste hoofdstuk impliciet laten eindigen als een konijn.”

Zelfs als groot bewonderaar van deze roman moest ik voor het eerst denken: verdomd, Hermans had gelijk, dit slot was te gemakkelijk. In De Balie hoorde ik van Marthijn Uittenbogaard geen overtuigende tegenargumenten.

    • Frits Abrahams