Astronauten zijn ballast

We moeten geen mensen, maar instrumenten de ruimte in sturen, betoogt sterrenkundige Vincent Icke. Als we dat doen, zal reizen naar de sterren absoluut mogelijk zijn.

Al sinds Galileï en Leeuwenhoek is bekend dat de menselijke zintuigen bij lange na niet genoeg zijn om het heelal te bestuderen. Na vier eeuwen ontwikkeling van instrumentatie met de bijbehorende meet- en regeltechniek, en speciaal na de opkomst van de computer, hebben wij een stadium bereikt waarin ook de rest van het menselijk lichaam alleen maar ballast is voor de serieuze onderzoeker.

Voor de romantici is dat misschien jammer, en het is wel te begrijpen dat zij heimwee hebben naar de tijd dat het menselijk lichaam, inclusief de hersenen, nog iets voorstelde in het meetproces. Er is niets mis met romantiek, een vrolijk en positief sentiment. Maar waar onze instrumenten en computers sensationeel verbeterd zijn, is de mens nagenoeg gebleven wat hij in de oertijd al was.

Wetenschappelijke experimenten, ook die in de ruimte, worden bedacht door mensen. De nodige apparatuur wordt door mensen gebouwd. De uit te voeren opdrachten worden gecodeerd door programmeurs, en ondanks hun nerd-imago zijn ook zij mensen. De analyse en interpretatie van de resultaten is eveneens mensenwerk, zij het dat ook daar meestal grootschalig computerwerk bij komt kijken. Maar voor het overige is de menselijke aanwezigheid onnodig en ongewenst. Waarnemingen met baanbrekende instrumenten, zoals de Large Hadron Collider (LHC) van CERN in Genève, en het Atacama Large Millimetre Array (ALMA) van ESO in Chili, worden tot in detail bestuurd door computers die zo slim zijn geprogrammeerd dat zij menselijke waarnemers corrigeren, in plaats van omgekeerd.

Elke waarneming van bijvoorbeeld de Hubble Space Telescope (HST) is volledig automatisch tot stand gekomen, op commando vanaf de aarde. Helaas moest de HST, om het ‘ruimte’vaartprogramma te rechtvaardigen, per Space Shuttle worden gelanceerd. Het instrument was dus te klein, te ingewikkeld en toch te beperkt, in een te lage baan om de aarde, te laat en vooral heel veel te duur. De beruchte reparaties aan de HST zijn geen compliment waard, want als de telescoop zonder tussenkomst van astronauten zou zijn gelanceerd, hadden we er wel vier kunnen bouwen voor hetzelfde geld, en de mislukte eersteling gewoon kunnen afschaffen.

Niettemin wordt onze kijk op het universum thans grotendeels beheerst door de beelden gemaakt door deze HST-robot, niet alleen bij astronomen, maar vooral ook bij het grote publiek. De resultaten die mensen buiten de aarde hebben bereikt, vallen volkomen in het niet vergeleken met wat automatische instrumenten hebben ontdekt, behalve voor wie belang stelt in sensatie.

Het International Space Station (ISS) draait rondjes in de bovenste lagen van onze atmosfeer. Daar gebeurt vrijwel niets van wetenschappelijke betekenis, tenzij men het sollen met levende proefdieren van de soort homo sapiens als zinvol beschouwt. Proefnemingen in ‘micro-zwaartekracht’ kunnen beter, op grotere schaal, en heel veel goedkoper door machines worden gedaan. Overigens is daar nog niets van diepere wetenschappelijke betekenis uitgekomen. Als oprecht onderzoeker ben ik direct bereid mijn opvattingen daarover te herzien als iemand een resultaat van Nobelprijs-kwaliteit kan noemen dat uitsluitend kon worden bereikt door het optreden van mensen op een paar honderd kilometer boven de aarde. Dat is dus geen kwestie van kosten, maar van baten.

Echte ruimtevaart, dat wil zeggen reizen naar de sterren, is heel goed mogelijk. Een raket die bijna met de lichtsnelheid vliegt, kan het hele nu zichtbare heelal bereizen in een jaar of twintig. Bij zulke diepe ruimtereizen denken de meesten aan kolonisatie, met de bedoeling hele mensen te verzenden. Dat is een middeleeuwse gedachte. Wie op een afgelegen continent de planten van thuis wil zien, neemt geen hele boom mee, maar een zaadje. Zo ook met ruimtekolonisatie. Tegen de tijd dat we de nodige relativistische raketten kunnen bouwen, is de biomedische wetenschap waarschijnlijk zo ver gevorderd dat elk aards organisme automatisch uit een enkele (stam)cel van zijn soort kan worden opgekweekt. Dan kan niet alleen de mens, maar ook onze hele biosfeer de ruimte in, verpakt in een high-tech sinterklaasdoos met een massa van een paar ton, dus zo goed als niets vergeleken met het ISS.

Ver voorbij de maan begint de echte ruimte. Sondes die daarheen zijn geschoten, bevatten instrumenten die zo gevoelig zijn dat de nabijheid van mensen hun werking onmogelijk zou maken. Daarmee zijn reusachtige schatten aan waarnemingen vergaard, die het wetenschappelijke beeld van ons heelal radicaal hebben veranderd. Ik vind dat we daar voorrang aan moeten geven. Zoals gezegd: dat is geen kinnesinne over kosten, maar een kwestie van baten.

Vincent Icke is astrofysicus, kunstenaar en schrijver Vincent Icke