Verkoop geschonken collecties niet

Het Wereldmuseum moet zijn Afrikacollectie niet verkopen. Wie durft dan nog aan een museum te schenken, vraagt Sjarel Ex.

‘Als Russische complimenteer ik u met uw cultuur die, anders de mijne, schilderijen als deze nooit te gelde heeft gemaakt teneinde er tijdelijk gewin mee te boeken.” Met deze mooie zin, die een week of twee geleden op mijn bureau belandde via de ideeënbus, refereert deze bezoekster aan de provenance van een van de topstukken in de tentoonstelling ‘De Weg naar Van Eyck’. De Russische tsaar verkocht het stuk ooit toen hij in geldnood zat.

De wijsheid die in deze woorden schuilt, vervulde me met spijt en ook schaamte, omdat rond die tijd de beleidswending bekend werd die de gemeente Rotterdam overweegt bij het ontzamelen van zijn museale collecties. De gemeenteraad behandelt deze week een voorstel van B en W waarin vrij baan wordt gemaakt voor afstoting van collecties als gevolg van veranderde inzichten van beheerders – het ontzamelen op, zoals het eufemistisch in het voorstel van B en W staat, „inhoudelijke gronden”. Een en ander is geïnspireerd op de ideeën van het Wereldmuseum. Dit is sinds enige tijd de mening toegedaan dat de Afrikacollectie in de verkoop kan om met de opbrengst een fonds te vormen waarmee het museum onder meer zijn focus kan verleggen naar andere continenten, zoals Azië. Zie ook het stuk ‘Voor verzamelaars is dit een buitenkansje’ (NRC Handelsblad ,15 november).

Wie gebrek aan focus heeft, moet er iets aan doen, zeker in een museum. Nieuwe dingen doen kan altijd, vooral in een museum. Ontzamelen is bovendien gangbaar, juist in de musea waar collecties dynamisch zijn en waar ze voortdurend worden gevormd en hervormd op basis van wisselende inzichten. Het is goed voor de kwaliteit van het geheel als je ontzamelt, dat wil zeggen: regelmatig het bezit monstert en bekijkt of alles nog courant is, volgens de gangbare norm is verzorgd, openbaar is gemaakt en ook geregeld wordt getoond. Zoals het ook van goed beheer getuigt om jezelf de vraag te stellen of bepaalde delen van de verzameling elders beter tot zijn recht zouden kunnen komen.

Let wel, dit zijn allemaal maatregelen die zijn bedoeld voor het verbeteren van de kwaliteit van het geheel en het in de gaten houden van juist de onderkant van de verzameling – waar de meegekomen erfstukken huizen, waar de doubletten en de stukken van C- en D-kwaliteit verkeren. Ontzamelen door musea is geregeld in een speciale leidraad, de LAMO, die weer is gekoppeld aan de Code of Ethics die wereldwijd door musea wordt onderschreven en nagevolgd, en vastlegt wat gepast is.

Wat de gemeente Rotterdam voorstaat, gaat veel verder.

Rotterdam rekent zich rijk door de poort open te zetten voor het verkopen van grote delen van zijn erfgoed, waaronder belangrijke collecties als de Afrikacollectie – puur om het geldelijk gewin. Het Wereldmuseum spiegelt de stad voor dat het zonder subsidie verder kan als de opbrengst van de Afrikacollectie in een endowment kan worden gestort waaruit het museum verder zou mogen putten. De leidraad wordt dus opgerekt met een perverse prikkel, nota bene opgeroepen door een van de Rotterdamse musea zelf. Dat denkt met de opbrengst ervan tal van doeleinden te kunnen dienen, veel meer dan alleen het actief uitbreiden en verbeteren van de collectie, zoals de leidraad stelt. Rotterdam begint deze week met de verkoop van zijn tafelzilver, en krijgt het nooit meer terug.

In Musée du Quai Branly en in het Louvre in Parijs zijn als resultaat van de grande travaux van president Chirac dagelijks mooie Afrikaverzamelingen te zien, bijeengebracht door het Musée de l’Homme, door cultureel antropoloog Claude Lévi-Strauss en de surrealistische voormannen André Breton en Max Ernst. In Nederland heeft Rotterdam na Leiden de beste Afrikaverzameling, met een omvang van ruim tienduizend stukken, met zeer belangrijke kernen uit Midden-Afrika en de kust. De basis is opgebouwd uit schenkingen vanaf het midden van de negentiende eeuw, op zich al zeer bijzonder, met als basis de collectie van Pincoffs Rotterdamsche Handelsvereeniging, die op Afrika handelde, en de oogst van de eerste Nederlandse Afrika-expeditie van D.D. Veth, in 1882. In een lange lijn, tot en met de schenking van Piet Sanders, hebben vele Rotterdammers in de afgelopen anderhalve eeuw hun etnografische schatten toevertrouwd aan de zorgen van de gemeente. Wat een bijzonder gebaar eigenlijk ook dat dit culturele erfgoed, afkomstig van verre kusten, in stand wordt gehouden in het licht van de multiculturele samenstelling van de bevolking van Rotterdam, met tegenwoordig al 174 nationaliteiten op iets meer dan 600.000 inwoners.

Is het verstandig om zo’n collectie weg te doen omdat de museumstaf er even wat minder mee heeft ? Is het financieel nodig om dit te doen? Dit lijkt me zeer twijfelachtig. Het behoud van deze collectie is niet duur. Sinds H. Reedijk directeur was van het Museum van Volkenkunde, de voorganger van het Wereldmuseum, zijn er geen publicaties of spraakmakende tentoonstellingen meer georganiseerd over de Afrikacollectie. Aan het beheer van de collecties wordt amper geld uitgegeven. De conservatoren zijn ontslagen en zitten voor hetzelfde salaris en pensioen thuis. Al jaren is niet geïnvesteerd in wetenschappelijk werk, catalogi, tentoonstellingen, of toegankelijke depots. Uit het oog uit het hart, moet de nu verantwoordelijke directeur gedacht hebben.

Als deze collectie een blok aan het been is, waarom dan geen ruil op bruikleenbasis met een andere internationale verzameling, waarbij het eigendom in stand blijft? Waarom maakt het museum, als het behalve het runnen van een toprestaurant en een balzaal zo graag niets aan Afrika doet, geen afspraak met buitenlandse musea waarin het zijn unieke bruikleenpositie benut om goede Aziatische stukken in ruil te krijgen?

Verkoop de boel niet uit. Dat is onherroepelijk.

Rotterdam heeft veel te danken aan de goedgeefsheid van verzamelaars en profiteert in al zijn musea, waaronder Museum Boijmans Van Beuningen, van de wijze waarop burgers die in de stad hun rijkdom vergaarden iets terug willen doen. De verkoop van ongeclausuleerde geschenken en het verarmen van de gemeentelijke collecties zelf, puur voor geldelijk gewin, is het tegendeel van verstandig inhoudelijk beheer. De verruwing die nu wordt ingezet, vormt een negatief signaal dat de goedgeefsheid ernstig verstoort.

Sjarel Ex is directeur van Museum Boijmans Van Beuningen.

    • Sjarel Ex