Tegenwind voor ‘groene’ stroom

Duitsland sluit zijn kern- centrales en schakelt in hoog tempo over op ‘groene’ stroom. Niet iedereen is daar blij mee. Bijna vijfhon- derd lokale actiegroepen strijden tegen windmolens.

Ze zijn niet tegen windenergie. Maar wel tegen nieuwe, honderdvijftig meter hoge, windmolens met rode knipperlichten bijna in de achtertuin. Jürgen Högden en Christine Witt zitten rond hun keukentafel. De lamp boven de tafel is aan. Het is midden op de dag, maar écht licht wordt het niet in dit jaargetijde in Sleeswijk-Holstein.

„Ik vind ook wel dat we moeten overschakelen op duurzame energiebronnen”, zegt Högden. „Maar waarom moeten alle windmolens hier staan?” Zijn vrouw zucht en knikt met haar spitse gezicht. Met „hier” bedoelt Högden de streek Dithmarschen, ooit een autonome ‘boerenrepubliek’, tussen Hamburg en de Deense grens in het Noorden van Duitsland.

Wie van Hüsum in het noorden naar het zuidelijker gelegen stadje Heide rijdt, ziet een illustratie van het probleem: aan de ene kant van de weg een bord dat meldt dat de vogelrijke Waddenkust hier op de werelderfgoedlijst van de Unesco staat. Aan de andere kant van de weg een van de talrijke windmolencomplexen in dit gebied. En verderop weer één. En nog één.

De deelstaat kan, als het hard waait, nu al met dit soort windparken aan de wal 4.000 megawatt opwekken: evenveel als vier kerncentrales. In de toekomst wil Sleeswijk-Holstein 9.000 megawatt produceren. Drie keer meer dan het zelf nodig heeft.

Christine Witt is even naar boven gerend om de grote ordner te halen waarin het echtpaar de knipsels bijhoudt over de actie die zij dit voorjaar startten. Op het land dat grenst aan de achtertuin van hun huisje aan de dorpsstraat van het buurtschap Hemme draaien de wieken van een reeks reusachtige molens. „Dat is al jaren zo”, zegt Witt.

Haar man vult aan: „In januari besloot de gemeenteraad dat er nieuwe molens bijkomen. Molens, die niet honderd meter hoog zijn, maar honderdvijftig meter. Met rode knipperlichten om vliegtuigen te waarschuwen. Toen was voor ons de maat vol. Die dingen zijn lelijk, maken lawaai, doden vogels en zorgen ervoor dat het zonlicht vlekkerig wordt. Als een stroboscoop. Bovendien is ons huis gekelderd in waarde.”

Zijn vrouw bladert in de ordner. „We zijn gaan praten met onze dorpsgenoten om het tegen te houden”, zegt ze. „We hebben handtekeningen opgehaald en toen kwam er een referendum in juni.” Högden knijpt zijn ogen tot spleetjes: „Dat hebben we verloren. Met twintig stemmen verschil.”

„Het probleem is”, zegt zijn vrouw bedachtzaam, „iedereen met grond wil alleen maar geld, meer geld. Eén molen schijnt 50.000 euro per jaar op te leveren. En in de gemeenteraad zitten alleen mensen die windmolens of grond bezitten.”

Christine Witt toont een open brief die zij schreef nadat zij het referendum verloren hadden: „Ook al bezitten zij op papier de grond, dan nog hebben zij niet het recht ons dorp te veranderen in een industriegebied. De aarde met Gods Schepping is er voor ons allen. Wij moeten haar in stand houden en verzorgen en gelukkig op haar leven.”

Hemme is niet meer gelukkig. In het dorp heeft „de nieuwe goudkoorts”, zoals Högden zegt, gezorgd voor tweespalt tussen mensen die verdienen aan de molens en mensen die er aan verliezen. „Dat is niet alleen hier, maar overal waar je molens ziet.”

Sleeswijk-Holstein, „windland nummer 1” volgens de regionale premier Torsten Albig (SPD), droomt van een boom: afgelopen maand besloot de regering van de deelstaat om het areaal windmolenparken met 13.000 hectare extra uit te breiden tot 27.000 hectare. Premier Albig verwacht dat dit de komende jaren zal leiden tot drie miljard euro aan nieuwe investeringen.

De regionale milieuminister, Robert Habeck (Groenen), zei begin november dat hij in 2013 uitgaat van duizend nieuwe aanvragen voor de bouw van windmolens. Volgend jaar al verwacht hij dat Sleeswijk-Holstein door nieuwbouw en vervanging van oude molens – wat men repowering noemt – 1.000 megawatt meer produceert.

Niet iedereen staat te juichen, dat is de bestuurders niet ontgaan. „De verwezenlijking van een zo ambitieus uitbreidingsplan kan alleen met de brede instemming van de bevolking lukken”, zei minister Habeck tegen de Schleswig-Holsteiner Zeitung.

Er zijn, zoals in het dorpje Hemme, in totaal zestig referenda gehouden. In veertien gemeenten was de bevolking tegen de bouw van windmolens. Maar de tegenstanders kunnen niet op tegen de politieke en economisch druk achter de Wende.

Dat heeft ook Hans-Joachim Zielinski ervaren. De dorpsarts op het meest noordelijke Duitse Noordzee-eiland Sylt strijdt al zeven jaar met zijn vereniging Gegenwind (Tegenwind) tegen de geplande aanleg van windmolenparken op de Noordzee. In heel Duitsland groeit het verzet, overigens, getuige de bijna vijfhonderd andere lokale actiegroepen tegen windenergie.

De horizon in deze populaire badplaats is nog schoon, maar dat is geen verdienste van Zielinski. Dat komt omdat de aanleg van windparken stagneert. Bijvoorbeeld door het ontbreken van wetgeving. Zo nam de Bondsdag vorige week een wet aan die het risico op schadeclaims voor netbeheerders inperkt. Het Nederlandse Tennet, onder meer verantwoordelijk voor de aansluiting van offshorewindparken op het stroomnet, gaat er nu vanuit dat daarmee een barrière voor investeerders is weggenomen.

Zielinski ontvangt ’s avonds in zijn witte dokterskleren. Zijn vrouw zet chocoladekoekjes en zwarte koffie op tafel. Zielinski (63) verklaart het gebrek aan succes van de Gegenwind-beweging uit de heiligverklaring van windenergie.

„Windmolens zijn al sinds de jaren zeventig symbool voor alles wat goed is. Tussen politieke partijen bestaat geen verschil van mening: wie tegen windenergie is, is tegen de schepping. Zo wordt de discussie politiek geladen. Wij Duitsers hebben sowieso een slecht geweten. Bij ons zijn windmolens antifascistisch en kerncentrales fascistisch. Zo is het nu eenmaal. Maar goed beschouwd is de ‘Energiewende’ voor de burger een gigantische herverdeling naar boven. Mensen die het geld hebben om molens te bouwen of om aandelen te kopen in windenergie, krijgen geld van de mensen die zich dat niet kunnen permitteren, maar die een hogere stroomrekening moeten betalen.”

De dokter is ervan overtuigd dat windenergie te weinig rendement levert en onbetrouwbaar is. „Er zal altijd een parallel reservesysteem nodig zijn om black-outs te voorkomen.” Zielinski voorspelt dat de oplopende kosten voor de burger aan de windmolenhausse een eind zullen maken. „Daar kun je op wachten.”

In Hemme vertelt Christine Witt vertelt hoe een van de grondeigenaren uit de gemeenteraad van de zomer nog langskwam. „Het buurdorp gaat een molenpark bouwen van honderdvijftig meter hoog. Dus moeten wij ook, zei hij, anders liggen we in de luwte. En hij zei dat er nu ook een ‘burgerwindpark’ komt waar we aandelen in kunnen kopen.” Haar man, Jürgen Högden: „Ik was daar nog wel voor. Dan zit je niet met lege handen. Maar Christine....” Zijn vrouw schudt haar hoofd. „Daar moeten we niet aan meedoen.”

Buiten ligt kool weg te rotten op de drijfnatte akkers. De boer heeft de schapen er maar op gezet. Högden: „Voor de boeren loont het niet eens om op tijd de oogst binnen te halen. Van de wind worden ze slapend rijk.”

    • Frank Vermeulen