Opinie

    • Stine Jensen

Stapel: alles voor het applaus

Met een potlood ga ik door het boek Ontsporing van Diederik Stapel heen. In de literatuurwetenschap bestaat een interpretatietechniek die close-reading heet. Je leest heel precies, en omcirkelt woorden die vaak voorkomen. Je let op herhalingen, tegenstellingen, open plekken, ongerijmdheden, verwijderingen, en de samenhang binnen een tekst zelf.

De eerste groep terugkerende woorden betreft ‘media-ecologie’, ‘applaus’, ‘vermaak’, ‘acteren’, ‘amusement’; het tweede cluster behelst verslavingsretoriek zoals ‘snoeptrommel’, ‘junk’, ‘alleen’, ‘controle’, ‘verlies.’

Stapel schrijft dat hij na zijn gestrande acteursaspiratie in de ban raakte van de Amerikaanse communicatiewetenschapper Neil Postman. In We Amuse Ourselves to Death beschrijft Postman hoe de maatschappij met de opkomst van televisie in de ban is geraakt van amusement ten koste van diepgang. Stapel wil onderzoeken welk soort mediaboodschappen het gemakkelijkste gedrag kunnen beïnvloeden. Dat zijn boodschappen die mensen op persoonlijk niveau overtuigend aanspreken en hen direct raken.

Stapel past die les toe in zijn eigen praktijk. Onderwijs is ‘lering ende vermaek’, maar het amusement gaat een steeds grotere rol spelen. Hij probeert zijn colleges zo amusant mogelijk te maken door films, popsongs en cartoons te verwerken. Stapel krijgt applaus van zijn studenten. Het woord ‘applaus’ valt binnen het bestek van twee bladzijden zeven keer. Als applaus een keer uitblijft, is hij ontredderd.

Na zijn val en de aansluitende jacht van de media op hem stelt hij dat hij een ‘projectiescherm’ is geworden en dat hij ‘mediabombardementen’ over zich heen krijgt. De media amuseren zich kapot met Stapel, is de boodschap. Zijn ontmaskering is in termen van een televisiemetafoor: „ik sta in het harde witte licht van grote studiolampen naakt op het schavot”. De woorden ‘schavot’ en ‘media-bombardement’ worden direct gevolgd door passages over zijn vader in de Tweede Wereldoorlog en een ‘vergissingsbom’ door geallieerden, waarmee hij suggereert dat ook het mediabombardement op hem zo gezien kan worden.

Als hij schrijft over het uit de hand lopen van zijn bedrog, duikt het woord ‘junk’ steeds vaker op. Hij is ‘high’, zoals je dat kunt zijn van alcohol, seks of wiet. Hij gebruikt dezelfde de kinderlijke retoriek die bijvoorbeeld liegende sporters ook gebruiken (‘snoepjes’, ‘koektrommel’). Inzichtelijk wordt de verwarring van Stapel als hij een vergelijking maakt met andere bedriegers: hij is als ‘de fietser die doping gebruikt’ (Stapel is al de Lance Armstrong van de wetenschap genoemd), hij is ‘het wetenschappelijke neefje van Nick Leeson’, als de politica Tara Singh Varma, en bovenal: een ‘meestervervalser’; de ‘Han Van Meegeren van de sociale psychologie’ . Stapel veegt bedrog in de sport, politiek, kunst en financiële wereld op één hoop. De waarden van de wetenschap en politiek (waarheid en ethiek) zijn echter niet dezelfde als die in artistieke beroepen (esthetiek). Dat tweede domein zou hem nog enige glans kunnen verlenen als hij als ‘de meestervervalser van de wetenschap’ kan worden, althans, hier lijkt hij op in te zetten, want hij schrijft: „Ik ontleen meer plezier aan het bedenken van een Vermeer die nooit bestaan heeft.”

Hij wil dus niet alleen amuseren, maar heeft hogere aspiraties. Het woord ‘mooi’ duikt misschien wel het vaakste op. „Dit was mooi, maar het was ook heel verkeerd.” Ook Ontsporing wil mooi zijn. Het hoofdstuk ‘Tienenhalf’ is een schitterende passage, briljant geschreven. Uit de verantwoording blijkt echter dat dit een vrije vertaling is van Raymond Carver, kleine stukjes van James Joyce en Julian Barnes. Literatuur is ook een snoeptrommel, en je kunt literatuur effectief veinzen. Maar wanneer je haar zonder zelfreflectie volgens de wetten van het amusement inzet om een emotioneel effect bij de lezer te sorteren in plaats van je wetenschappelijke fraude serieus te onderzoeken, blijft applaus ook dit keer uit.

Filosoof, schrijver en tv-maker Stine Jensen schrijft elke dinsdag over media, populaire cultuur en hypes.

    • Stine Jensen