Sinterklaas

Kort voor pakjesavond de klassieke jobstijding: Glenn (7) gelooft niet meer. „Weet je het zeker?” vragen wij terneergeslagen. „Ik heb het bevestigd, ik kon er niet langer omheen”, zegt zijn moeder.

Een week eerder was het eerste verontrustende signaal gekomen. Na afloop van de sinterklaasbijeenkomst in het bedrijf van zijn moeder had Glenn droogjes vastgesteld: „Dit was niet de échte Sinterklaas.”

Hoe vaak zal hij deze constatering, in allerlei varianten, de rest van zijn leven herhalen, vroeg ik me even af – maar daarover een andere keer.

Nog leek niet alles verloren. Je kon het in de verte vergelijken met een priester die geen heil meer in de paus zag, maar nog niet God met het doopwater wilde weggooien. Het was een kwestie van tijd: misschien kon de geloofsafval van Glenn net lang genoeg worden afgeremd.

Maar schoolkinderen zijn onverbiddelijk in die dingen. Broertjes en zusjes willen nog wel even het complot met de ouderen in stand houden, andere kinderen hebben daar geen boodschap aan. Als ze later groot, en dus volledig verpest zijn, doen ze hetzelfde met grootheden die ten val komen: wat er nog van hun reputatie over is, wordt in het roddelcircuit de nek omgedraaid.

De dagen daarna stelde Glenn steeds dezelfde vraag: „Sinterklaas bestaat toch niet echt, hè?” Je moet dan als ouder de mentaliteit van een politicus, liefst van VVD-huize, hebben om het eerlijke antwoord over pakjesavond ‘heen te tillen’. Mijn dochter lukte het niet, wat voor haar pleitte. Ze constateerde nog wel dat ook kinderen opportunistisch genoeg zijn om niet alle schepen tegelijk achter zich te verbranden. Toen Glenn enkele surprises in zijn schoen aantrof, reageerde hij beleefd: „Dank u, Sinterklaas.”

Moet je er als Sinterklaas rouwig om zijn als je in de steek gelaten wordt? Ik zou er zelf vrede mee hebben, maar ik ben dan ook nooit Sinterklaas geweest, vermoedelijk bij gebrek aan natuurlijk overwicht. Bij de Bijenkorf in Amsterdam heb ik laatst nog een tijdje naar Sinterklaas staan kijken, toen hij audiëntie hield op zo’n drukbevolkte verdieping, waar de crisis van Nederland ver te zoeken was.

Het lijkt me geen vreugdevol bestaan. Je zit maar op zo’n troon te zitten, aangestaard door lacherige ouders, terwijl er allerlei kindertjes, lam van de zenuwen, naar je toe worden geduwd. Vroeger mocht je ze nog op je schoot trekken, maar daar kan in deze antipedofiele tijden geen sprake meer van zijn. De Sint moet volstaan met een voorzichtig aaitje over de bol. Omdat bijna geen kind zijn mond durft open te doen, zie je Sinterklaas al snel worstelen met de vraag: hoe lul ik de tijd vol? In de Bijenkorf was het zo’n uur of twee, ga er maar aan staan.

Als Sint heb je een vast repertoire aan vragen, maar daar ben je gauw doorheen als de antwoorden steevast korter zijn.

„Heb je je schoen al gezet?”

„Mwa…”

„Wat zat erin?”

„Mwoe…”

De Sint greep de komst van een dixielandorkestje van Zwarte Pieten gretig aan om te pauzeren. Daarna wachtte hem de zwaarste beproeving. Een vrouwelijke Zwarte Piet begon naast hem op het podium aan een langdurig dansnummer: de Hokie Pokie. „We doen de Hokie Pokie en we draaien ons om, want daar gaat het allemaal om, o Hokie Pokie óéh…, o Hokie Pokie ááh…”

De kinderen reageerden lauw en ook Sinterklaas leek nauwelijks geamuseerd. „Zijn er ook nog leuke liedjes?” vroeg hij toen de Zwarte Piet uitgehijgd was.

    • Frits Abrahams