Emotie hoort bij sport; wie boos is, wil erop slaan

Wel uitwassen bij voetbal, niet bij judo. Hoe kan dat? De omgeving is bepalend, zegt sportpsycholoog Frank Bakker.

Iedereen die wel eens bij een voetbalwedstrijd heeft gestaan, hoe amateuristisch ook, zal dit herkennen: het is de tweede helft, nog zes minuten. De linksback – die aardige jongen met wie je altijd meerijdt, die net in de rust de thee voor iedereen heeft ingeschonken en wiens vriendin hoogzwanger is – die linksback tikt de aanvaller van de tegenpartij aan. Net buiten het strafschopgebied, denkt hij. Maar de scheidsrechter geeft een penalty.

Die doodgoeie jongen moet nu met vereende krachten worden tegengehouden, anders vliegt hij de scheidsrechter (een 55-jarige man die op doordeweekse dagen muziekles geeft) aan. Sussende woorden die je tegen je teamgenoot zegt, krachttermen waarmee anderen hem tot bedaren proberen te brengen, de gele kaart van de scheidsrechter, niets van dit alles dringt tot hem door.

Heftige emoties, zegt Frank Bakker. De sportpsycholoog, bijna 65 en deze week druk met zijn afscheid als docent aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, herkent het beeld direct. „Wanneer iemand het gevoel heeft dat hem ten onrechte iets wordt aangedaan, heeft hij heel sterk het gevoel dat zijn belang is geschaad. Dan mag je heftige emoties verwachten. Psycholoog Nico Frijda zegt: hoe groter de belangen, hoe heftiger de emotie. Dan maakt het niet uit of de belangen feitelijk groot zijn of dat je ze alleen maar zo ervaart. Het maakt niet uit of je voor een paar miljoen tv-kijkers in de Champions League speelt of dat je zaterdagochtend op een achterafveld tegen RKAVIC 6 aantreedt.”

Zijn negatieve emoties krachtiger dan positieve?

„Niet per se. Als ik 30 seconden voor het einde scoor, laat ik gedrag zien dat mij op een schorsing kan komen te staan. En toch doe ik het. Ik moet uiting geven aan die emotie. Ik citeer opnieuw Frijda: iedere emotie heeft zijn eigen actietendens. Als je bang bent, wil je wegkruipen. Als je vreugde voelt, ga je juichen. Als je kwaad bent, wil je erop slaan. Die neiging is ontzettend sterk.”

Kun je die niet onderdrukken?

„Emotie gaat gemakkelijk voorbij aan alle op ratio gebaseerde processen. Die heftige reactie die bij de emotie hoort, gaat autonoom haar weg. Die houd je niet tegen. Natuurlijk weet je dat je woede morgen is weggeëbd, maar die wetenschap helpt je niet de woede te beteugelen. Je staat niet open voor relativering. De mogelijkheden tot controle van de reactie moet je niet overschatten.

„In sport komt daar iets bij: om in te gaan tegen het appèl dat een emotie op je doet, heb je energie nodig. Maar juist bij het sporten ben je door je reserves heen, je bent moe, het zit tegen, je haalt het niet. En dan vlagt de grensrechter ten onrechte voor buitenspel. Dan heb je niet meer de energie om tegen jezelf te zeggen: kom kom, het valt wel mee. Of: wat doet het ertoe? Nee, dan zit er geen stop meer op.”

Waarom zoekt de mens zulke emoties op, als ze kennelijk aan sportbeoefening vastzitten?

„Omdat de positieve drijfveren om sport te beoefenen heel basaal zijn. Een van de meest fundamentele menselijke behoeften is te laten zien wat je kunt. En wat je kunt, is bijna nergens zo ondubbelzinnig vast te stellen als in de sport. Iedereen ziet meteen dat wat Epke Zonderland doet, heel goed is. Maar niet alleen op dat niveau. Ook voor een amateur is het direct duidelijk wat hij kan als hij een doelpunt maakt of een goede pass geeft.”

Is er geen manier om de agressie die ook bij sport hoort af te leren?

„Agressief gedrag is grotendeels aangeleerd. De een leert in situaties van frustratie te berusten. De ander leert een grote mond op te zetten of klappen uit te delen. Wat je kunt leren, kun je in beginsel ook afleren, maar dat is lastig en bij sport misschien nog wel lastiger. Er zijn haast nergens zulke heftige emoties als in sport, door wat er op het spel staat of lijkt te staan.”

Als het een kwestie van individueel gedrag is, zou je bij judo dezelfde uitwassen verwachten als bij voetbal.

„Er speelt mee wat als normaal aanvaard wordt en wat niet. Als iemand zich bij u op de redactie laat gaan zoals op het sportveld, dan zal de hoofdredacteur zeggen dat zulk gedrag onaanvaardbaar is. De omgeving is zeer bepalend. Iedere context roept zijn eigen gedragingen op. In een omgeving waar fair play en sportiviteit belangrijk worden gevonden, zul je minder rauwe, onbeheerste emoties aantreffen.

„Bij voetbal ‘hoort’ agressie meer dan bij badminton. In ijshockey kijkt niemand ervan op als de spelers elkaar na een overtreding met sticks te lijf gaan – ik ken weinig andere sporten waar dat gebruikelijk is. Voor de spelers en de toeschouwers hoort het kennelijk tot de mores van het ijshockey. Het is dus zinloos om een algemene cursus ‘beheersing van impulsen’ te geven. Als je agressie in de sport wilt beteugelen, zul je je moeten richten op de conventies van de sport in kwestie en de sporters in die sport andere gedragingen moeten aanleren. Sommigen zullen dat harder nodig hebben dan anderen. Die conventies zijn niet statisch, die ontwikkelen zich. Ik heb vroeger volleybal gespeeld in de onderste regionen van de eredivisie. In mijn tijd was het vanzelfsprekend dat je het zelf aangaf wanneer je netbal had gemaakt, ook als de scheidsrechter het niet had gezien. Nu is dat niet meer zo.”

Speelt u nog steeds dat minder beleefde volleybal?

„Nee, tegenwoordig doe ik aan hardlopen en bergbeklimmen. Daar komt weinig agressie bij kijken.”

    • Bas Blokker