Btw voor peeskamers

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waar- over de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: toegevoegde waarde.

Dienstverlening is btw-plichtig. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer

Vier jaar geleden kreeg een Haagse dame een vergunning voor ‘het exploiteren van een seksinrichting’. Ze verhuurde 26 vitrines en werkkamers aan prostituees, zorgde voor schone lakens en handdoeken, maakte schoon, deed de administratie en hield toezicht op de openingstijden: van zeven uur ’s ochtends tot één uur ’s nachts mocht er worden gewerkt. Overnachten was niet toegestaan.

Als verhuurder van onroerend goed had ze gehoopt aanspraak te kunnen maken op een vrijstelling van de omzetbelasting. Ze had over haar inkomsten in de eerste drie maanden van 2008 bijna 36.000 euro aan btw moeten afdragen en daartegen bezwaar gemaakt bij de Belastingdienst. Toen dit werd afgewezen, stapte ze naar de rechter.

De rechtbank Den Haag was niet gevoelig voor haar argumenten, maar in hoger beroep kreeg de vrouw gelijk. Volgens het Haagse gerechtshof was de verhuur van de werkkamers inderdaad te beschouwen als een aparte activiteit naast de andere diensten die de vrouw verleende, en dus vrijgesteld van omzetbelasting.

De Hoge Raad deed onlangs uitspraak over de kwestie en blijkt daar toch anders over te denken. In zijn arrest van 23 november (LJN: BY3891) noemt het hoogste rechtscollege de redenering van het hof „onbegrijpelijk”.

Het arrest bevat een uitgebreide beschrijving van de werkzaamheden van de vrouw en van de door haar verzorgde inrichting van de werkkamers. Een voorbeeld: „Elke werkkamer is voorzien van een één- of een (smal) tweepersoonsbed, een televisie en een wastafel. De prostituees kunnen schone hoeslakens en handdoeken pakken wanneer zij willen.”

Het werk van de Haagse dame blijft volgens de Hoge Raad niet beperkt tot verhuur, maar moet worden gezien „als één dienst die in hoofdzaak is gericht op het voor een prostituee scheppen van een omgeving die het mogelijk maakt haar beroep uit te oefenen”. Het verhuren van de kamertjes en de ondersteunende diensten vormen daarin één geheel.

De Hoge Raad zoekt voor dit oordeel aansluiting bij de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Daaruit blijkt dat het verhuren van onroerend goed in het algemeen een passieve activiteit is, die geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert. Tenminste, als je in aanmerking wilt komen voor de btw-vrijstelling. Als de verhuur gepaard gaat met het leveren van prestaties en dus verder gaat dan alleen het beschikbaar stellen van de ruimte, wordt het een ander verhaal.

Het criterium is of er alleen sprake is van handelingen die een verhuurder normaal gesproken verricht (zoals het onderhoud aan het pand en de aansluiting op gas, water en licht), of ook van handelingen die een specifiek gebruik van de ruimte mogelijk maken. Deze laatste hebben een toegevoegde waarde van betekenis, aldus de Hoge Raad, waarmee de vrijstelling komt te vervallen.

De verhuur van compleet ingerichte kamers, het beschikbaar stellen van vitrines, het toezicht op de openingstijden en de aanvullende service: alles stond hier in het teken van het specifieke gebruik. De vrouw moet volgens de Hoge Raad dan ook gewoon btw afdragen over haar huurinkomsten.

Een wijze les in de raamprostitutie: zorg als verhuurder niet voor schoon beddengoed, maak niet schoon en blijf ver weg van de administratie. Het kan een hoop geld schelen.

Tips? Mail naar ecorecht@nrc.nl

    • Nelleke Koops