Bestuurders moeten grote projecten beter onderbouwen

Elke stad wil graag een Eiffeltoren, maar in de slag om grote projecten ontbreken de argumenten, vindt Wouter Jan Verheul.

Het grootste voetbalstadion, de hoogste woontoren, het markantste museum – elke stad wil met een beeldbepalend project bewoners, bezoekers en bedrijven trekken. Juist in crisistijd gaat deze concurrentiestrijd over prestigeprojecten voort. De discussies rond de nieuwe Kuip in Rotterdam of het Haagse Spuiforum tonen dat deze strijd zelfs heftiger wordt gevoerd dan anders.

Bij de ontwikkeling van iconen gaat het niet alleen om het stapelen van stenen, maar vooral om een overtuigend betoog. Het is de vraag of bestuurders hierin slagen.

Stadsiconen zijn van grote waarde; ze geven steden een gezicht. Zo is de Erasmusbrug een belangrijk stadssymbool geworden, net als de Eiffeltoren. Stadsiconen trekken toeristen, zijn voor de bewoners belangrijk en geven een stad identiteit en publieke trots.

Bovendien kunnen ze een aanjager zijn voor gebiedsontwikkeling, door hun economische en sociale uitstraling. Zo zijn de grondprijzen rondom het Sydney Opera House enorm gestegen en is het Guggenheim in Bilbao een grote toeristische inkomstenbron.

Maar wie achter de façades kijkt, ziet dat de glans vaak een ruwe werkelijkheid verbergt van strijd over vorm, functie en kosten. Politici, architecten en bewoners kunnen het grondig met elkaar oneens zijn. Uit deze onenigheid komen prachtige bouwwerken voort, maar ook blunders met politieke crises als gevolg.

Zo staat in Almere al meer dan tien jaar een half afgebouwd kasteel waar het onkruid welig tiert. Het moest een ‘historische’ trouwlocatie worden, maar het project ging halverwege de bouw failliet. In de polderstad is de kasteelruïne nu hét symbool van bestuurlijk avonturisme.

Wie naar programma’s als De Slag om Nederland kijkt, ziet dat bestuurders zich vaker blindstaren op te ambitieuze projecten. De Blauwe Stad in Groningen, een nieuwe Ringweg in Zuid-Limburg of het zoveelste nieuwe stadhuis tonen het verschil tussen betoog en beton.

Sinds het uitbreken van de financiële- en vastgoedcrisis wordt wel gesuggereerd dat deze bouwdrang voorbij is. Niets is minder waar. Belangen van bedrijven, bestuurlijke scoringsdrang en burgerlijke emoties moeten blijvend worden gevoed.

In de discussie over een nieuwe Kuip in Rotterdam of het Haagse Spuiforum zoeken de voorstanders naar hoe nieuw projecten toch van de grond kunnen komen in economisch zware tijden. In Den Haag zijn politici die ‘anticyclisch willen investeren’ en exploitanten die het verval van het ‘culturele klimaat’ aanvoeren. In Rotterdam stellen politici dat de nieuwe Kuip moet worden gebouwd wegens de gezondheidsachterstanden in Rotterdam-Zuid. Zo wordt de zoektocht naar overtuigende argumenten opgerekt naar de aanpak van dikke kinderen.

Bestuurders verdedigen een project graag met uitlatingen als: ‘We moeten deze plek toch op de kaart zetten?’ Dit zijn lastig te weerleggen argumenten, maar als tijdens de realisatie blijkt dat de eerste barsten in het beton schieten, is het de vraag of het bestuurlijke verhaal niet op drijfzand is gebouwd. Het simpelweg herhalen van dergelijke uitspraken is te dun om een stevig project op te bouwen. De gebruikte zinnen worden platitudes en de woorden sleets.

Het is de taak van politici, onderzoekers en journalisten om zwakke fundamenten te herkennen en bloot te leggen – niet om de ontwikkeling van projecten te blokkeren, maar om bestuurders uit te dagen hun plannen overtuigend te onderbouwen.

Prestigeprojecten vormen een prachtige toevoeging aan de stad – maar alleen als ze op een stevig fundament staan.

Wouter Jan Verheul is bestuurskundige. Hij promoveert op woensdag 5 december aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het proefschrift Stedelijke iconen.