Armoede in Europa stijgt door crisis

Het percentage inwoners van de Europese Unie dat armoede of sociale uitsluiting riskeert, is vorig jaar gegroeid naar bijna een kwart. Dat meldt Eurostat, het statistische bureau van de EU. In 2010 was dit 23,5 procent; in 2011 steeg het naar 24,2 procent, ofwel 119,6 miljoen mensen. Het jaarlijkse Eurostat-onderzoek is gebaseerd op gegevens uit de 27 EU-lidstaten.

Met enige vertraging dringen de sociale gevolgen van de crisis in Europa door in de statistieken. Uit drie losse onderzoeken, waaronder dat van Eurostat, bleek gisteren dat steeds meer inwoners van de Europese Unie het risico lopen op armoede.

Volgens onderzoek van de Universiteit Antwerpen zeggen steeds meer Belgen niet meer rond te kunnen komen. Het armoederisico is in Wallonië (19,2 procent) hoger dan in Vlaanderen (9,8 procent).

In Frankrijk publiceerde het instituut Injep, dat onderzoek doet naar de situatie van jongeren, nieuwe armoedecijfers. 22,5 procent van de Fransen tussen de 18 en 24 jaar leeft volgens Injep in armoede – 5 procentpunt meer dan in 2004.

Omdat armoede moeilijk objectief te meten is en omdat onderzoekers verschillende definities hanteren, gaan het Eurostat-onderzoek en het Belgische onderzoek over het ‘risico’ op armoede en sociale uitsluiting. In de EU-studie zijn drie factoren van belang: het inkomen (met 60 procent van het nationaal gemiddelde als ondergrens), het niet kunnen betalen van specifieke zaken als huisvesting en eten en het niet of onvoldoende actief zijn op de arbeidsmarkt.

Het percentage mensen dat vatbaar is voor armoede is volgens het Eurostat-onderzoek het hoogst in Bulgarije (49 procent), gevolgd door Roemenië en Letland (beiden 40 procent). In Tsjechië (10 procent) Nederland (11 procent) en Oostenrijk en Denemarken (beiden 13 procent) is de situatie het best.