Mannen die vallen

Bram Moszkowicz, Badr Hari en Diederik Stapel. Ze zijn beroemder door hun leven in de media dan door de prestaties in hun arena van expertise. We denken deze mannen door tv te kennen als vrienden, maar smullen van hun val.

Het bronzen beeld van Desiderius ERASMUS is omgetrokken van zijn sokkel en ligt voorover met zijn neus op de grond op de Laurensplaats tegenover de Laurenskerk in Rotterdam. foto VINCENT MENTZEL/==B/W==Nederland. Rotterdam, 22 november 1996

En ineens vallen ze, de mannen die zo hoog reikten dat ze de zon bijna konden aanraken: Badr Hari, Bram Moszkowicz, Diederik Stapel. Ze werden alle drie door eenieder op handen gedragen. Nu wringen diezelfde handen om hun halzen. Wat is het? Afgunst? Wraak?

Wellicht.

Als je deze drie-eenheid van beroemdheden bekijkt, valt op dat er ten minste één gemeenschappelijke deler is: alle drie de heren zijn van hun voetstuk gevallen omdat ze strafbare feiten hebben gepleegd. Onderdeel van hun neergang is een goede werking van onze democratie. Advocaat Moszkowicz is reeds bestraft voor zijn misstappen (hij gaat in beroep), kickbokser Hari werd aangeklaagd (met een gedeeltelijke bekentenis tot gevolg) door het Openbaar Ministerie, en Stapel kwam afgelopen week weer in het nieuws toen een onderzoekscommissie van zijn vroegere gelijken hem door de mangel haalde. De gevallen hoogleraar had toen al gezegd ‘te hebben gefaald als wetenschapper’.

Je zou kunnen denken: omdat ze meenden dat ze onaantastbaar waren, hebben Hari, Moszkowicz en Stapel de regels aan hun laars gelapt. Omdat ze meenden dat ze boven de wet stonden. En dat bevalt de goegemeente niet.

Maar volgens mij is er meer aan de hand. Volgens mij komt hun grote val door de vluchtigheid van hun roem. Er zijn wel meer advocaten die hun werk niet goed doen. Niet elk van hen haalt de voorpagina van de kranten.

Deze drie mannen jaagden een droom na. Een droom die kenmerkend is voor wie wij allemaal zijn. Hari, Stapel en Moszkowicz wilden ‘namen-zonder-„wie?”-erachter’ worden, zoals mijn vriend Willem pleegt te zeggen. Hari en co. wilden een kroeg binnenlopen en een golf van elektriciteit door de ruimte voelen gaan.

Er was een tijd dat roem ontstond door iets te kunnen. Door goed te zijn in iets. Hierdoor ontstond zelfs een koppeling met respect. Dat was het onderscheid met schandaalroem. Achilles kon een behoorlijk potje knokken. Daarom werd hij beroemd. Zijn landgenoot Herostratus kon dat niet. Sterker nog: hij kon niets. Dus zette hij in 356 voor Christus de Tempel van Artemis in Efeze in brand, een van de zeven wereldwonderen. Volgens een kort gedicht van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson („Fame is a bee. / It has a song / It has a sting / Ah, too, it has a wing.”) heeft roem een lied, een steek en een vleugel voor de wederopstanding. Het lied van Herostratus was een kort lied, van een lettergroep en één noot: brand! Maar het was wel een lied dat iedereen snel kende.

Tegenwoordig is goed zijn in iets geen garantie meer voor roem, het is zelfs geen noodzakelijkheid. Waar het nu om gaat, is media-aandacht. Bewondering heeft plaatsgemaakt voor bekendheid. Roem ontstaat niet in jouw arena van expertise – maar door wat je in het publieke domein verricht. We zingen op vrijdagavond op televisie liedjes die al duizend keer zijn gezongen (en beter) en we krijgen meer aandacht dan oorspronkelijke, originele artiesten die op hetzelfde moment in een theater staan. We geven in RTL Boulevard onze mening over een of andere jurk van een Hollywoodster en die mening krijgt meer aandacht dan de kwaliteit van ons pleitwerk. Tijdschriften, televisie en internet brengen ons bekendheid. Want dat is het synoniem voor roem geworden: brede, lifestyle media-aandacht. Badr Hari was minder bekend met zijn K1-titel dan toen hij het vriendje werd van een getrouwde voetbalvrouw die in de kolommen van roddeltijdschriften en op SBS Shownieuws leeft. Bij haar is de vraag waar zij beroemd om is overigens niet anders te beantwoorden dan met: „Geen idee, zij is bekend van televisie. En van haar overspel.”

Ontrouw, mishandeling en belastingontduiking, allemaal van mensen die niets kunnen en toch ‘namen-zonder-„wie?”-erachter’ worden. En elke keer denk ik weer: deze mensen moeten niet bij Pauw & Witteman op een stoel zitten, maar bij een psycholoog.

Populariteit gestoeld op media-aandacht voor alledaagse gebeurtenissen: je moet er maar op komen. Op die manier wordt je alledaagse leven je prestatie én krijg je vanzelf die elektriciteit in de kroeg. Het enige wat je nodig hebt, is een kleine slinger: een voetballer als man, voorpaginanieuwtjes over verzonnen wetenschappelijke ontdekkingen, een beroemde cliënt (vaak ook crimineel). Moszkowicz, Hari, Stapel: allemaal beroemder door hun leven in de media dan door prestaties in hun respectievelijke arena.

Moszkowicz, Hari en Stapel zijn wat Youp van ’t Hek afgelopen weekend „de spiegel van onze verlangens” noemde. Volgens Brits onderzoek schrijven de meeste tienjarige kinderen in Engeland wanneer gevraagd wat ze willen worden maar één woord op: beroemd. Dus geen baan, maar een status. In zijn meest recente televisieserie, Life’s too short, neemt Ricky Gervais die roem en ambitie onder de loep. In een artikel dat vlak voor de seizoensaftrap op The Huffington Post verscheen (en waarin hij het genoemde onderzoek aanhaalde), schreef hij: „I guess I always wanted to be eminent. That’s the old word for fame, by the way. Being known for something. Being known for being good at something.”

Gervais is nu de meest bekende komiek op aarde. En de beste. Maar dat terzijde. Want, zoals gezegd, roem hangt niet langer met voortreffelijkheid samen. Roem gaat om je mediaprofiel.

Het vreemde is: het kenmerk iets werkelijk uitmuntends te maken, vereist een discipline die haaks op deze instelling staat. Wie Vechtershart bekijkt, een documentaire over een jonge Badr Hari, ziet dat deze Hari onmogelijk tijd zou hebben voor het mediaprofiel dat hij nu vertoont. En als Diederik Stapel daadwerkelijk een goede wetenschapper zou willen zijn, dan zou hij geen onderzoeksdata verzinnen voor conclusies die media-aandacht garanderen, maar de data hem conclusies laten geven. Als Bram Moszkowicz een goede advocaat zou zijn geweest, zat hij niet bij RTL Boulevard, maar bij die verplichte cursus om zijn vakkennis bij te houden. Maar ja, dan ben je niet op televisie.

En de gemiddelde Nederlander kijkt drie uur per dag tv. In het hoofd lichten dezelfde hersendelen op bij een foto van Jan Smit als bij een foto van een van zijn vrienden. Dat is de elektriciteit die door de ruimte gaat als je binnenkomt. Stapel: „Applaus betekent dat je wat waard bent.”

Daar maken de heren een denkfout: de gemiddelde Nederlander kent wellicht de namen van de 3J’s, hun vriend is hij niet. Want als de beroemdheden vallen, dan smullen we. Dan laten we ze vallen. Niet uit afgunst of wraak – maar omdat we ze niet echt kennen. En bijna iedereen houdt van leedvermaak: het lijden van mensen die we niet kennen. Iedereen houdt van the sting.

Onze nieuwe soort roem is van een verraderlijke soort. Omdat hij niet op klasse is gestoeld, maar op iets wat veel vluchtiger is, net zo vluchtig als gas: media-aandacht, en het gas van die aandacht is nog vele malen ontvlambaarder dan de Tempel van Artemis.

Tot slot: de vleugel. De weg van de boetedoening en af en toe van de wederopstanding. Die lijkt in dergelijke gevallen vaak via het boek te lopen. Moszkowicz heeft al een boek geschreven, een boek waarin zijn wereldbeeld in de titel is gevangen: Liever rechtop sterven dan op je knieën leven. Hari heeft de komende maanden tijd om aan zijn memoires te werken. En Diederik Stapels boek verscheen vorige week. Het zal mij benieuwen of de mensen het kopen. Maar wat ik me vooral afvraag, is hoe lang het duurt voordat Stapel, Hari en Moszkowicz op basis van hun mediaprofiel weer op tv te zien zullen zijn.

Het kan niet lang duren.

    • Philip Huff