Mama, Marseille

De laatste nacht was ook meteen de meest verschrikkelijke van deze hele reis. Aangezien ik had bedacht dat ik voor het allemaal voorbij was per se nog een nachtje in het wild moest slapen. Zonder tent, onder de sterren en dan ’s ochtends wakker worden met de opgaande zon. Dat leek me een mooi einde.

Maar ik las mijn kaart verkeerd en terwijl het begon te schemeren, raakte ik verdwaald in een eindeloze villawijk met blaffende honden. Naast die wijk was een hoge rotswand en boven aan die rotwand was een plateau. Ik probeerde de rotswand te beklimmen, gleed uit, landde op een open plek tussen wat bosjes en overwoog om hier dan maar gewoon de nacht door te brengen. Tot het begon te miezeren en ik besefte wat een slecht plan dit was.

Juist terwijl ik de bosjes uitkwam rende er een jogger voorbij, extra hard toen hij mij zag. Ik rende achter hem aan en vroeg hem de weg naar het klooster, mijn moeder had me verteld dat er hier ergens een was. Het klooster lag aan het einde van het pad, maar helaas vertrouwde de als conciërge dienstdoende broeder me voor geen meter. Hoe ben je dit terrein opgekomen? vroeg hij en om echt heel zeker te weten dat ik de uitgang weer vond, bracht hij me er zelf even naar toe.“Dat is de weg naar Simiane-Collonque,” zei hij. “Nou, ontzettend bedankt,” zei ik en zocht een mooi plekje uit in de kloostertuin.

Ik trok al mijn kleren over elkaar, probeerde het onophoudelijke geblaf van een irritant keffertje te negeren en werd toen plotseling volledig uitgelicht door de koplampen van een passerende auto. Ik lag dus, blijkbaar, voor een weg. Niet lang daarna schenen twee zaklampen zoekend over het terrein en gaf ik het op. “Oui oui, je suis ici!” riep ik, galmend over het grasveld en alle lichten werden tegelijk uitgeknipt.

Op weg naar Simiane reed er een taxi langs, met een achterin een non. Ik probeerde hem te stoppen om te vragen of ik op de juiste weg was. Maar de chauffeur bekeek me met een blik die ik tot nu toe alleen kende uit horrorfilms, trapte op de versnelling en scheurde door.

In Simiane waren er geen hotels. Alleen een café met een groep blowende jongens. Een van hen wilde me wel even met zijn auto naar het dichtstbijzijnde hotel brengen. Het hotel lag aan de A 51. Terwijl ik ontdekte dat het gesloten was, reed de jongen weg. Het was inmiddels een uur ’s nachts.

De partytent. Foto NRC / Raoul de Jong

De partytent. Foto NRC / Raoul de JongDe partytent. Foto NRC / Raoul de Jong

De bank. Foto NRC / Raoul de Jong

De bank. Foto NRC / Raoul de JongDe bank. Foto NRC / Raoul de Jong

Naast het hotel stond een soort partytent en in die partytent stond een in plastic gewikkelde bank. Nadat ik mijn schoenen uittrok en mijn ogen sloot ging het licht aan en parkeerde een in zwart leer geklede man met een helm op zijn motor naast mijn bank. Hij bekeek me even van achter zijn helm. Of misschien bekeek hij me niet. Dat was door die helm dus moeilijk op te maken. “Hi,” zei ik zachtjes.

Om zes uur ’s ochtends werd de ochtend wakker. Ik was het al, klaar. En zo begon mijn laatste dag.

Ochtendmaan. Foto NRC / Raoul de Jong

Ochtendmaan. Foto NRC / Raoul de JongOchtendmaan. Foto NRC / Raoul de Jong

Ik had geen water bij me, geen eten, had nu drie nachten bijna niet geslapen en elke stap kostte moeite, deed pijn. Ik liep de snelweg over, door een industriegebied, door een park, een bos met schietende jagers, een maandlandschap, een berg op, een berg af, een hek over, langs een meer, door een soort woestijn, tot de pijn geen pijn meer deed en ik luisterde naar het ruizen van de wind.

Het maanlandschap. Foto NRC / Raoul de Jong

Het maanlandschap. Foto NRC / Raoul de JongHet maanlandschap. Foto NRC / Raoul de Jong

Ik dacht aan hoe dicht ik nu bij mama was en wilde dat ze hier bij zou zijn. Zij had dat ook gewild, maar ik had haar thuis laten wachten omdat dat mooier was voor het verhaal. Als een huisvrouw in antiek Griekenland. Hoe stom dacht ik. En zo niet het punt van deze reis. Het mooie was juist dat ik hem deelde met de mensen van wie ik hou.

Ik stelde me voor hoe ze hier nu zou verschijnen aan het eind van deze grindweg, in haar mooiste jurk. Ik projecteerde haar in mijn hoofd over de werkelijkheid. En als ik mam kon projecteren, dan ook Puckje. Mam stond daar aan het einde van het pad en Puckje liep naast me, net als vroeger. Samen liepen we naar haar toe. Toen keek ik naar de boven, naar de enorme blauwe lucht en de felle zon en begon te huilen.

Het grindpad. Foto NRC / Raoul de Jong

Het grindpad. Foto NRC / Raoul de JongHet grindpad. Foto NRC / Raoul de Jong

Aan het einde van het grindpad lag de zee aan mijn voeten, in de verte, trillend in de lucht en naast de zee lag Marseille. Ik liep een stil buitenstadje in en vroeg een man die uit zijn huis kwam of er ergens een bakker was. Doorlopen naar links, zei hij. Dat deed ik en zoals ik verwachtte reed hij langs in zijn auto en bood me aan om me te brengen. Hij zette me af bij een supermarkt en zei: Succes met de laatste loodjes.

Marseille! Foto NRC / Raoul de Jong

Marseille! Foto NRC / Raoul de JongMarseille! Foto NRC / Raoul de Jong

Ik kocht drie broodjes, blauwe kaas, salami, koekjes, een pak appelsap, sigaretten en een aansteker en ging zitten in de bosjes op een mierenhoop naast het tankstationnetje. Toen belde ik mijn moeder. Ze was bezig met een welkomsbord, maar wilde heel graag komen naar waar ik was. We spraken af bij een metrostation, net voor het centrum.

Ik volgde een D-weg door drie voorstadjes, tussen grote hoge flatgebouwen, glinsterend in de zon. Ik probeerde te bepalen wat ik hier nu van dacht, politiek gezien, na alles wat ik had meegemaakt, maar kon niks bedenken. Alles wat ik kon bedenken was dat het mooi was, ook hier. En de mensen net zo aardig als overal.

Ik wachtte op een bankje op mam en dacht over wat het allemaal betekend had. Alle kilometers die ik had afgelegd, alle mooie mensen die ik onderweg had ontmoet, alle liefde die ik heb ontvangen. Waarschijnlijk met een diep frons in mijn voorhoofd, want toen een groepje Marokkaanse jongens langsliep, riep een van hen naar me: “Alors ris!”

Ik verstond hem niet. “L’orgi?” vroeg ik. De jongen schudden lachend zijn hoofd: niet ‘ggg’ maar ‘rrrrrrr’! “Rrrrrrrr!” rolde ik hem na. “Precies!” lachte hij “rrrrr!” Dit herhaalden we een paar keer, heen en terug, tot hij zwaaide en doorliep. En pas toen begreep ik wat hij gezegd: Alors, ris! Dus, lach! Dat deed ik, net zo lang tot mama uit de metro kwam.

Mama. Foto NRC / Raoul de Jong

Mama. Foto NRC / Raoul de JongMama. Foto NRC / Raoul de Jong

Ze zag er uit zoals ik me haar net op de berg had voorgesteld. Bijna onbereikbaar, onwerkelijk, als in een visioen. Ze droeg een witte jurk en had een Puckje op haar borst gespeld. Ze had een foto-camera in de aanslag, net als ik. We drukten allebei op klik en lieten onze camera’s zakken.

“Hallo, zei ze. “Hallo,” zei ik.

En toen begon ze te huilen, ik ook. Helemaal slap en zonder enige controle. Snikkend vielen we elkaar in de armen, en zo stonden we daar, heel dicht tegen elkaar aan. Ik probeerde wat te zeggen, maar het lukte me niet om te praten. Ik kon alleen maar huilen. Om hoe raar het was. Om mam. Om Puck. Om hoe mooi de wereld is, hoe lief mensen zijn. Om wat er mogelijk is, het leven, om dit. De onbeschrijfelijke Grootsheid van het Al.

Mam pakte mijn hand vast en door de straten van Marseille liepen we samen het laatste stukje, naar huis.

Eind. Foto NRC / Mama de Jong

Eind. Foto NRC / Mama de JongEind. Foto NRC / Mama de Jong

De zee. Foto NRC / Mama de Jong

De zee. Foto NRC / Mama de JongDe zee. Foto NRC / Mama de Jong

In de haven. Foto NRC / Mama de Jong

In de haven. Foto NRC / Mama de JongIn de haven. Foto NRC / Mama de Jong

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.

    • Raoul de Jong