Het mbo staat op springen

Ooit leek het een goed idee: bestuurders in het beroepsonderwijs meer macht geven. Zij kenden de lokale behoeftes immers beter dan ‘Den Haag’. Intussen stapelen de voorbeelden van wanbeleid zich op. Over de gevallen schoolreus Amarantis verschijnt vandaag een vernietigend rapport.

Nederland, Rotterdam, 6-3-2009. Foto Maarten Hartman. Ahoy. Leerling maakt een werkstuk. Skills Masters. Skills Masters is het beroepenevenement van Nederland voor vmbo- en mbo-leerlingen, en startende en ervaren werkzoekende vakmensen.Op Skills Masters kun je van alles zien, doen, beleven en te weten komen over werk als vakman of vakvrouw. Er zijn vakwedstrijden, opleidingen en banen. Drie dagen vol actie. Maak werk van je talent. Foto Maarten Hartman. Maarten Hartman

Redacteuren Onderwijs

Auto’s met chauffeur, eersteklas ov-abonnementen én riante taxivergoedingen: uit het dit weekeinde deels uitgelekte onderzoek naar onderwijsreus Amarantis stijgt een geur op van zelfverrijking. En van vriendjespolitiek: zakelijke contacten verleenden privédiensten aan leidinggevenden binnen de scholengroep, opdrachten werden gegund aan bevriende bedrijven.

Officieel wordt het onderzoek naar de teloorgang van Amarantis, een scholengroep met 30.000 leerlingen in Noord-Holland en Midden-Nederland die begin dit jaar in financiële problemen kwam, vandaag gepresenteerd. Maar doordat zaterdag passages uit het conceptrapport uitlekten, ontbrandde de publieke discussie dit weekeinde al. Minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA), wier ministerie opdracht gaf tot het onafhankelijke onderzoek, zei zaterdag dat ze eerst het definitieve rapport wil lezen. Maar mocht het inderdaad zo zijn dat de bestuurders van Amarantis zichzelf verrijkt hebben, dan zal ze daarvan aangifte doen bij het Openbaar Ministerie, zo kondigde ze in tv-programma Nieuwsuur aan.

Politieke partijen waren minder terughoudend: onderwijswoordvoerders van SP, CDA en PVV toonden zich ontstemd over het „graaigedrag” en eisen maatregelen. SP-Kamerlid Jasper van Dijk wil bijvoorbeeld dat Frans Janssen, de voormalige voorzitter van de raad van toezicht van Amarantis, opstapt als burgemeester van Zeist. Zo is een complexe kwestie teruggebracht tot overzichtelijke proporties: de piraten aan het roer bij de scholengroep hebben de schuit naar de haaien laten gaan, terwijl ze druk bezig waren hun zakken te vullen.

Maar er is meer. Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Nederland, ondergebracht in grote regionale opleidingscentra (roc’s), heeft te kampen met structurele problemen. Want niet alleen bij Amarantis liep het fout. ROC Zadkine uit Rotterdam en ROC Leiden hebben ook grote financiële problemen, mede als gevolg van het te ambitieuze bouwbeleid van bestuurders.

De politiek en de onderwijsinspectie grepen bij al deze instellingen pas in toen het bijna te laat was. Wat dat betreft zijn er overeenkomsten met de affaire rondom hogeschool Inholland, enkele jaren geleden. Ook hier had het bestuur geen grip meer op de instelling – al ging het bij Inholland niet om geld, maar om onterecht verstrekte diploma’s. En ook hier greep de overheid pas in nadat de problemen jaren konden voortwoekeren.

Het is de prijs die wordt betaald voor de beslissing van de politiek, genomen in de jaren negentig, om schoolbesturen meer zelfstandigheid te geven. Voorheen moesten bestuurders voor hun uitgaven aankloppen bij het ministerie van Onderwijs, maar sindsdien krijgen ze ieder jaar een zak geld, de zogenoemde lumpsum. Verantwoording van het college van bestuur geschiedt achteraf: eerst aan een raad van toezicht. En als het nodig is ook later aan de onderwijsinspectie.

De centrale gedachte achter deze onderwijshervorming was dat roc’s regionale behoeften beter konden inschatten dan ‘Den Haag’. De affaires rondom Amarantis, ROC Leiden en Zadkine laten heel wat anders zien.

Het wanbeleid van sommige bestuurders in het mbo heeft niet alleen gevolgen gehad voor de financiële positie van de instellingen. Ook het onderwijs kwam er soms bekaaid van af in de begroting. Veel geld ging naar de fraaie nieuwe gebouwen, een belangrijk wapen in de strijd om de student. Met het aantrekken van veel studenten moest de verdere groei van de school gefinancierd worden.

Die studenten werden niet alleen gelokt met nieuwbouw, maar ook met modieuze, populaire studies. Ook al was er op de arbeidsmarkt eigenlijk geen behoefte aan meer paardenverzorgers, artiesten of theatermedewerkers.

Langzaamaan dringt het besef door dat het zo niet langer kan. Alle studenten ‘welzijn en onderwijs’ aan het Albeda College in Rotterdam hebben dit jaar bijvoorbeeld een brochure ontvangen met de laatste feiten en cijfers over arbeidsmarktperspectieven. De studiekeuze is en blijft vrij, benadrukt de onderwijsinstelling, maar de boodschap is overduidelijk: studeer toch vooral iets nuttigs.

Zo staat achter de opleiding tot pedagogisch jeugdmedewerker een rood vierkantje met het cijfer 1: geringe kansen. Wie daarentegen kiest voor een baan in de bouw (metselaar, timmerman, stratenmaker) hoeft zich weinig zorgen te maken, getuige het groene vierkantje met het cijfer 5: goede kansen.

Renata Voss, lid van het college van bestuur, is trots op de ‘arbeidsmarktbijsluiter’. „Wij willen mensen opleiden voor een baan, niet voor de bijstand”, zegt zij. Behalve informatie op papier krijgen leerlingen ook in persoonlijke ‘ombuigingsgesprekken’ te horen wat hun perspectieven zijn. Voss: „En als die niet al te florissant zijn, dan vertellen we dat. Luid en duidelijk.”

Jongeren zijn gevoelig voor status en geld. Dus vermeldt de brochure ook de startsalarissen in elke sector. Techniek springt er met kop en schouders bovenuit, met een bruto maandloon van bijna 2.000 euro.

Jarenlang lieten mbo-scholen zich in hoge mate leiden door eigenbelang: hoe meer studenten, hoe meer overheidsgeld. Met de wildgroei aan ‘pretstudies’ en laagdrempelige opleidingen tot gevolg. FNV Jong luidde deze zomer de noodklok: roc’s leiden te veel jongeren op voor niet-bestaande banen. De opleiding helpende zorg en welzijn, met bijna achtduizend nieuwe leerlingen vorig jaar de populairste mbo-opleiding, geeft slechts 40 procent of minder kans op werk.

Het Albeda College is een van de eerste roc’s in Nederland die niet langer voor kwantiteit gaan: ruim anderhalf jaar geleden volgden nog 5.250 leerlingen een opleiding binnen de studierichting welzijn en onderwijs. Nu zijn dat er 4.650. Van de tweeduizend nieuwe studenten kozen zeshonderd „na een indringend gesprek” alsnog een andere opleiding.

„We moeten ook wel dat eerlijke verhaal vertellen”, zegt Marion Klapwijk, die verantwoordelijk is voor deze studierichting. „Het aantal stageplaatsen in de kinderopvang en de jeugdzorg is onder druk van de bezuinigingen in relatief korte tijd enorm afgenomen.” In sommige gevallen is het aanbod gehalveerd. Het aantal opleidingsplaatsen wordt de komende twee studiejaren verder afgebouwd, naar 3.700.

Minister Bussemaker wil, net als haar voorgangster Marja van Bijsterveldt (CDA), het aantal mbo-opleidingen met weinig arbeidsperspectief deze kabinetsperiode drastisch terugbrengen. Specialistische technische studies als horlogemaker of restauratiestukadoor moeten meer ruimte krijgen – naar zulke beroepen is de komende jaren wel vraag.

Met de invoering van een licentiesysteem hoopt Bussemaker het studieaanbod beter af te stemmen op de vraag vanuit het bedrijfsleven. Roc’s krijgen hun studies alleen nog vergoed na toestemming van het ministerie. „Er komen minder opleidingen en uitstroomprofielen zodat de kwaliteit in het mbo kan toenemen”, vermeldt het regeerakkoord. En: „Kleine opleidingen worden in principe beëindigd.”

Het laatste wapen in de strijd om studenten tot inkeer te brengen, zijn voordrachten van leerlingen die de stap al wel gewaagd hebben. En dus legt Cheslain Latubessy (19) op een ochtend in een vol klaslokaal uit waarom zij haar zorgstudie heeft ingeruild voor een opleiding in de bouw. „Ja, je krijgt vieze handen. Dat dacht ik in het begin ook, en dat is ook zo. Maar ach, na afloop was je gewoon je handen.”

De bestuurders in het mbo zullen lang moeten schrobben, voordat ook hun handen weer schoon zijn.