Een gedicht mag niet gaan loensen

Vrijdag kreeg dichter Leonard Nolens de Prijs der Nederlandse Letteren 2012, omdat hij het Nederlands opnieuw laat zingen.

Interviewers meldden zich in Nolens’ sobere schrijfonderkomen in Antwerpen omdat de dichter en dagboekschrijver in het Koninklijk Paleis in Amsterdam de Prijs der Nederlandse Letteren krijgt uitgereikt. Dit, zo maakte de jury bij de toekenning in april bekend, omdat hij ‘het Nederlands opnieuw doet zingen’. Zijn gedichten, gebundeld in Manieren van leven, en dagboeken, gebundeld in Dagboek van een dichter, werden getypeerd als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.

Die worsteling, zo blijkt uit het Dagboek van een dichter uit 2009, is er vanaf het begin van zijn schrijverschap geweest. Nolens’ notities zijn af en toe openhartig op het pijnlijke af, maar altijd geven ze blijk van een onvoorwaardelijke inzet voor de poëzie, ongeacht de gevolgen ervan. Nolens: „Ik kan me voorstellen dat lezers dat dagboek af en toe als beklemmend ervaren. Maar dat is het waarschijnlijk dan ook geweest, het leven dat er in beschreven staat. Het idee dat ik gevangen zat in de keuze die ik had gemaakt, heeft altijd overheerst.”

Er zit 28 jaar van uw leven in Dagboek van een dichter. Waarom bent u vijf jaar geleden gestopt met het schrijven van een dagboek?

„Het verlangen of de behoefte was er niet meer. Ik was 32 toen ik met het dagboek begon, maar pas tien jaar later is er op verzoek van mijn uitgeverij een deel gepubliceerd. Daarna kon ik eigenlijk niet meer terug, ik had iets op gang gebracht. Wanneer ik nog dagboeknotities maakte, wist ik dat er altijd iemand ‘meelas’ omdat het later eventueel gepubliceerd kon worden. Als die man achter je te aanwezig wordt, dan voel je dat de onbevangenheid langzaam verdwijnt. Dit wordt een vorm van acteren, dacht ik op zeker moment, ik moet ermee stoppen. Wanneer ik nu dagboekachtige notities wil maken, integreer ik die in mijn gedichten. Ik heb ook altijd al het idee aangehangen dat een gedicht een synthese moet zijn van zoveel mogelijk disciplines. Het muzikale, het beeldende, het beschouwende: alles moet passen in dat handgrote ding dat een gedicht is.”

Er zit veel persoonlijke twijfel in het dagboek, maar literair gezien is het consistent. Het standpunt van de jonge Nolens lijkt al sterk op dat van de latere Nolens.

„Toen ik het dagboek begon te schrijven, publiceerde ik al tien jaar poëzie. Maar ik had desondanks het idee dat ik alleen stond met mijn literaire en existentiële opvattingen, twee zaken die voor mij één pot nat zijn. In de academie had ik gehoord dat slechts de tekst ertoe deed, niet de schrijver. Ik zag Herman De Coninck zijn poëtica van het neorealisme verkondigen en was het niet met hem eens. En bij het literaire tijdschrift Labris waar ik in gedebuteerd had, hoorde ik dat de woorden in een tekst zo aandachtig mogelijk naar elkaar moesten kijken. Daar was ik het deels mee eens, maar het frustreerde me ook, omdat woorden ook een gewone, verwijzende functie hebben in de omgangstaal. Het gevecht heeft er voor mij altijd uit bestaan: hoe laat ik de woorden in een gedicht aandachtig naar elkaar kijken, én naar buiten kijken, zonder dat het gedicht gaat loensen.”

Heeft u zich in uw werk vastgeklemd aan dat ‘ik’?

„Ik heb van begin af aan vastgehouden aan het ego en ben tegen de literaire doxa van de jaren zestig ingegaan die voorschreef: als je schrijft, moet je jezelf uit de tekst verwijderen. Joseph Brodsky zei: ‘Ik begrijp die West-Europese dichters niet die zeggen: je moet jezelf zo veel mogelijk uit het gedicht wegcijferen. Er zijn andere manieren om jezelf van kant te maken.’ Dat zei hij letterlijk: van kant maken!

„Nee, nee, dat ego móét aanwezig zijn in het gedicht. ‘Ik’ is een prachtig woord, het gaat er maar om hoe je het gebruikt. Er vindt al transpositie plaats op het moment dat je het op papier zet. De vraag luidt: wat is dat zelf? Voor mij is dat zoveel tegelijkertijd. Als je nu met Nolens praat, praat je ook met zijn ouders, de boeken die hij las, zijn vrienden. Veel van wat ik nu zeg wordt mij in feite gedicteerd door de buitenwereld. Dicteren, dat vind ik altijd mooi om te gebruiken, omdat het etymologisch verwant is aan dichten.”

Vreest u een ‘gemeenschappelijk’ verhaal, zoals de aanbevelingen in uw werk om kranten en tijdschriften links te laten liggen, doen vermoeden?

„Als je zelf je leven in handen wilt nemen, als je voor jezelf een identiteit wilt verwerven, dan moet je paradoxaal genoeg ontsnappen aan de identiteit waarmee anderen je opzadelen. Religies, politieke partijen: ze willen je dat ‘ik’ zo graag afnemen. Critici óók.

„Iemand als Kees Fens heeft altijd beweerd: je moet het niet over je zelf hebben; heb het over de buitenwereld, de dingen, de natuur voor mijn part. Alsof ik het niet over de buitenwereld heb als ik het over mezelf heb!

„Ik behoor tot die wereld. Ik gebruik graag het beeld van de vis die niet naar het water kan kijken, die niet buiten het element kan gaan staan waarin hij leeft, omdat hij dan op het droge moet gaan liggen en dus dood gaat.”

Uw eerste twee bundels zijn niet opgenomen in Manieren van leven.

„Toen, zo rond mijn twintigste, was mijn liefde voor de woorden kalverliefde. Ik had woorden, maar nog geen taal. Gaandeweg ontwikkel je de vaardigheid om al tijdens het schrijven met de blik van de lezer te kijken, met de latere blik van de lezer die in je zit. En dan nog hou ik de gedichten zo lang mogelijk in portefeuille. Ik wil er twee, drie jaar later nog eens naar kijken om te zien of het goed is.

„Tijd is voor mij fundamenteel. Daarom publiceer ik ook nauwelijks in tijdschriften. Ik ben het eens met Paul van Ostaijen die zei: ‘Een tekst moet kelder hebben.’ De tekst mag als een wijn pas na jaren naar buiten komen om geconsumeerd te worden.”

Kunt u zich voorstellen dat de lezer van uw dagboek de indruk kan krijgen dat er aan u een monnik verloren is gegaan?

„Maar dan wel een monnik die de treintijden kent. Er is mij vaak verweten dat mijn werk zo autarkisch is, zo op mezelf gericht, maar ik heb altijd geweten wat er om mij heen gebeurde. Ik heb een groot deel van mijn leven alleen in een hok geleefd, maar altijd geweten dat ik ondanks alles ook samenleefde. Ik neem in de aandachtige stilte van deze kamer toch altijd al pratend en schrijvend de woorden van anderen in de mond?”